— Mijn kop doet verschrikkelijk pijn, net of er met een voorhamer op geslagen is. En ik heb een gevoel, of mijn gezicht in brand staat. Hoe kom ik hiér, Suze? O, ik weet het al; er is gevochten. Is dat tuig nu weg?
Suze knikte en gaf moeder een wenk. Tante Jans begreep haar terstond en sloop naar de alkoof. Max wankelde; haastig schoof Suze een stoel naderbij.
— Dank je, zei hij, zwak. Ik moet naar boven gaan.
— Wil ik je even helpen, Max?
— ’t Gaat misschien zoo wel. Suze, waar is Gertrud? vroeg hij dan, timide.
Ze haalde de schouders op.
— Ga nu maar eerst slapen, misschien komt ze intusschen wel.
Hij ging, doch moest zich aan de deur vast houden. Toen nam ze
zijn arm.
— Ik geloof dat het met je moeder niet heelemaal in den haak is, fluisterde hij. Ze heeft zoo vreemd gedaan, toen die kerels op me aanvielen.
— Daar praten we morgen wel over. Nu moet je eerst naar bed.
Ze bracht hem zijn kamer binnen en hielp hem te bed. Toen trok ze
zijn schoenen en bovenkleeren uit en dekte hem toe. Hij kreunde, rilde. Onhoorbaar schoof ze een stoel voor het bed en legde haar hand op zijn gloeiend voorhoofd. Zoo bleef ze zitten.
— Je bent héél lief, Suze, je bent veel liever. . . .
— Stil nu maar; je moet slapen, dan komt alles wel in orde.
Haar andere hand vatte de zijne en hield deze vast, tot hij sliep.
Toen zij de kamer uit waren, stond Tante Jans weer op, om haar
kast na te snuffelen. Haar laden waren geheel geplunderd; al de kostbaarheden, die zij gedurende haar huwelijk verzameld had en haar beetje geld, waren gestolen. Alles was weg, was ze voor goed kwijt. Dat had ze nu van een onschuldige grap, die ze met Gerrit had willen uithalen. En hij zelf, door wien dat alles kwam, had zich buiten schot gehouden, als wist hij tevoren dat er klappen zouden vallen.
Ze had zin om te grienen, om het weer uit te schreeuwen, maar ze was er te moe voor. Haar bonzend hoofd, haar geslagen ledematen hadden rust, slaap noodig. Ze omzwachtelde haar hoofd met natte doeken en ging weer te bed. Nog een kort poosje hoorde ze het gemurmel van Suze’s stem, tegen Max, doch dan verzonk ze in slaap, uitgeput van vermoeienis en aandoeningen.
Geritsel aan de deur wekte haar. Verwonderd tastte ze naar haar hoofd, voelde de natte doeken. Een greep naast haar overtuigde haar dat Gerrit er niet was. Door de openstaande deur ontwaarde ze, in de voorkamer, het bleeke schemerlicht van den winterochtend. Onmid-
345