Je bent Gerrit niet! riep ze verbaasd. Wat moet jij hier doen? Waar hei je Gerrit gelate?
Ze voelde aan haar hoofd, dat gloeide en aan haar armen en beenen, die alle pijn deden en overal aan haar lichaam, als wilde ze zich overtuigen dat het geen droom was. En toen keek ze opnieuw, met roode, verschrikte oogen, naar Branders, die stil lag en haar niet scheen te hoo-ren. Gestold bloed kleefde aan zijn neus en kin; trage straaltjes kropen uit krabben, in zijn gezicht. Dat had zij gedaan, dacht ze met spijt, in haar woede, toen ze dacht dat hij Gerrit was. Hij leek er wel aan gestorven te zijn.
Nu stak de pijn pas goed op, overal waar ze geslagen en gestompt was. Steunend ging ze zitten. Haar hoofd zakte in de handen en toen moest ze huilen, van pijn, van schrik, van berouw. Had ze maar het licht laten branden, dan zou ze tenminste gezien hebben, wiè er haar woning binnen drongen. Dan, zou Max ook nog in leven zijn. Of, had ze maar heelemaal niets uitgehaald, met dat lolletje, om Gerrit gedweeër te maken. Ze had tevoren wel kunnen bedenken, dat het altijd op den verkeerde uitdraait. Nu was ze zelf half dood geslagen en die arme jongen misschien heelemaal, of voor zijn leven lang ongelukkig en Gerrit had geen tik gevoeld.
De deur ging open.
— Hebt U nu Uw zin? vroeg Suze. Ik schaamde me dood, om de herrie.
Dan, Max bemerkend, stiet ze een gil uit. Ze knielde bij hem neer.
Max, Max, doe je oogen open! Lieve Max! Moeder, je hebt ’m vermoord!
— Maak toch niet soo’n drukkie om die paar opdufels, die die gehad hêt, steunde Tante Jans. Wat most tie hiér doen?
Suze veegde met een slip van haar nachtpon het bloed van zijn gezicht en bemerkte dat het geheel bekrabd was. Hij ademde.
— Wat hebt U toch met hem gedaan, dat ie er zoo verschrikkelijk uitziet? jammerde ze.
— Snap je dan nog niet, datte ’t échte inbrekers binne geweest.
Dan welde plots groote woede in Tante Jans op.
Meid! schreeuwde ze, waar zat je, kon je niet hellepe? Most je me soo alléén late tobbe? Al had je maar de buurt bij mekaar geschreeuwd.
Suze stond op en keek haar verontwaardigd aan.
— Ik zou maar mijn mond houden, als ik U was. U hebt een inbraak willen hebben en nu hebt U er een gehad. Waarvoor had ik óók moeten schreeuwen? Me dunkt dat het U best toevertrouwd was en de buren hebben er wél schik in gehad. Hoe komt dat goed allemaal op den vloer te liggen? vroeg ze, ineens. En de mooie spiegel is stuk. Moeder, wat is dat voor een ruïne, wat heb je toch gedaan?
343