schik kón hebben in een pretje, waarbij zijzelve, midden in den nacht, murw werd geslagen. Toen nam hij als eenige mogelijkheid aan, dat de buren, evenals zij, plotseling door krankzinnigheid waren aangetast en er, in die andere woningen, hetzelfde, lugubere tooneel werd afgespeeld, als waar hij nu onder te lijden had. Te midden van die sombere overdenkingen pijnigde hem de zorg om Gertrud. Dat kraken van de trap hadden de inbrekers veroorzaakt. Was ze misschien toch te midden van de herrie thuis gekomen, of... . ja, wat of.... ?
Hij voelde een schop tegen zijn slaap....
Hein en Willem smeten den boel, dien ze niet hebben wilden, op den vloer. Willem gooide de pendule er bij en Hein sloeg, met een bronzen beeldje, den spiegel in. Het glas kraakte, barstte; groote scherven vielen op den vloer.
— Wone! kommandeerde Hein Peut.
Allebei gaven ze Max, die bewusteloos was en Tante Jans nog één tik en snelden toen de kamer uit en de trap af. De deur van één hoog stond open. De familie was op en juichte hen toe. Pootje en Peut gromden iets als een groet en een verwensching dooreen, trokken de klep van hun pet wat dieper in de oogen en holden de onderste trap af. De buren die aan de deuren stonden begroetten hen met gelach en gejubel, maar zij renden hun in volle vaart voorbij.
Thuis bij Hein Peut verstopten ze de buit en gingen toen op hun gemak een stukje eten. Daarna wandelden ze, volgens afspraak, naar hun buurtvrienden, die op den hoek van de Baangracht bijeen zouden komen.
Langzaam verstierf de vroolijkheid bij de buren van Tante Jans. Het scheen haar toe, of ze het vertrek van de inbrekers hadden afgewacht, om naar bed te gaan. Ze wilde er niet aan denken, dat ze zelf de kraak had voorbereid en haar buren gewaarschuwd, dat het dien nacht groote pret zou zijn. Ook wilde ze niet gelooven, dat zij niet beter hadden geweten, of Frans en Wim hadden werkelijk voor de jen haar woning in opschudding gebracht. Ze had zoo verschrikkelijk geschreeuwd en gegild, dacht ze, dat een ieder moést hebben begrepen, dat ze het meende en niet van pret te keer ging.
Grommend van pijn en ergernis stond ze op.
— Heb je nou je sin, linke duf el! schreeuwde ze met huilstem.
Ze kreeg geen antwoord en de gestalte, die op den vloer lag, bewoog zich ook niet. Ze stootte haar met den voet aan, doch kreeg geen schop terug.
— Hij is dood! kreet ze dan uit. Gerrit, sta op, sta op!
Haastig liep ze naar de deur en draaide den schakelaar om.
342