waar de Mop een half glaasje Catz in had gegoten, zoo lekker gevonden, dat hij aanstonds een tweede glas had besteld. Dit smaakte héél anders dan het eerste en daarover beklaagde hij zich bij Dikke Griet, die zich op haar beurt weer op den Manke en de Schele beriep, om te getuigen dat ze nooit aanmerkingen kreeg op haar dranken. Het tweetal wist iets af van Smikkels Zondagsschoolse en maakte, in bijbelsche termen, allerlei lugubere zinspelingen op den oorsprong en de fabrikage van alcoholvrije dranken. Dirk hoopte nu dat ze, nu ze het zoo druk hadden met den behanger, zich bij overrompeling iets zouden laten ontvallen, aangaande het geheim van de inbraak. Maar Dries en Ko hadden hem dadelijk door; nu geloofden ze stellig dat het zijn bedoeling was, Gerrit bijtijds te waarschuwen.
— Nou, we komme óók ’s, zei Ko huichelachtig tegen Hein. Ik sei laatst nog tege den Manke, een mensch hêt bijwijle behoefte an ’n stichtelijk wóórd. En gaan nou maar ’s een ander ferfele, mit je ferbose-limonade.
Ze heten den behanger staan en begonnen Kleinen Dirk zoo’n groote hoeveelheid leugens te vertellen, dat het hem voor de oogen ging draaien, hoewel hij nuchter van huis was gegaan, en hij heelemaal in de war kwam, zonder dat hij iets wijzer werd aangaande hetgeen hij weten wou. De anderen, om hem heen, hadden hun gesprekken weer even luid als tevoren hervat, doch vermeden het, den naam Gerrit te noemen.
Toen deze eindelijk op zijn gewone, linke, manier binnen kwam stappen, wijdbeens, de ooren ver van het hoofd staand, dit schuin opzij, zijn pet scheef en zijn zijden das nonchalant om den hals gestrikt, werd hij dra van verschillende kanten ingelicht, dat de kraak nog denzelfden nacht zou gezet worden. Manke Dries, Schele Ko, Henk de Mop, Frits de Kaaskop, Bart Prent, Lou van der Neut, Piet Scheeve Pet, Bennie Smeerpot, Daan Kropsla, Toon Uitje, Chris Peenhaar en nog wel een stuk of tien anderen knipoogden tegen hem en wezen beurtelings één aan, die met zijn rug naar hem toe stond of juist aan zijn glas zat te lurken. Gerrit begreep daaruit, dat elk van hen een ander op het oog had, om de grap bij uit te voeren en dat de beslissing van hèm afhing. Hij knikte en knipoogde met èlk op zijn beurt mee en had er, in zijn eentje, net zoo veel schik in, als zij allen tezamen. En bij elk gesprek, waarin een buurtgenoot of verre kennis hem om raad vroeg, inzake een „link klussie” en uit dank voor zijn helder oordeel een borrel presenteerde, werd zijn ingenomenheid met zichzelf grooter en hijzelf lustiger.
Toen hij zich eindelijk, naar gewoonte, in het midden van de troep pretmakers had gedrongen, ontwierp hij, uit de vrije knuist, in groote trekken een zóó ingewikkelde en geraffineerde inbraak, dat het vertellen alléén hem al op levenslang, in de gevangenis of krankzinnigengesticht, was komen te staan, indien er toevallig een bevoegd crimina-
33*