je dan geen af end meer in je gesin doorbrenge? Noem je dat nou een foorbeeld gefe an je kindere en kleinkindere?
— Jans schreeft, pruttelde Dirrekkie tegen Suze.
Gerrit knikte goedig tegen den kleinen jongen. Hij grabbelde in zijn broekzak en haalde er een stukje suiker uit.
— Dat kind is wijser as jij, zei hij, berispend. As jij, as grootmoeder sijnde, je man niet sou afschreefe, sou dat alfast een kedin föörbeeld föör die kleine pierik sijn. En wiè en wat kan mijn nou belette, een glaassie bier te drinke, om de arepels door te spoele?
— As ’t dan nog bij een glaassie bier blééf, antwoordde Jans, met een verholen blik van tevredenheid naar Suze. Maar je drinkt neurie en noem jij dat nou sollideir. Bi-je daar sosejaal föör?
— Nou laat je je nèt weer kenne. Wat hêt een glaassie bier nou te schafte mit sosejaal? vroeg Linke Gerrit, verbaasd. Sosejaal bin ik genogt, laat je dat frisch sijn en ferders doen en laat ik wat ik ferkies. Ik bin link genogt, om te wete wat ik kan doen.
— As je een échte sosejaal was, sou je an afend thuis blijfe en thee drinke in je gesin en op se tijd naar artis of een refü gaan en ons mee-neme. Maar néé, daarföör is menéér niet sosejaal genogt. Kom je nou wéér bij nacht en ontij thuis, hardstikke dronke?
— Doen ik nóóit, verklaarde Linke Gerrit, op vasten toon. En fan-afend sekers niet. Eén keilertje, geen druppeltje méér. Me hebbe saké te bedissele, fanwege de kraak, afijn dat gaat je niks an.
Hij wuifde niet onvriendelijk goeden dag en liep zwaar stampend de trap af.
— Daar gaat ie, zei Tante Jans, triomfantelijk. Morgenafend om dese tijd is ie een boel wijser en bedaarder, of ik bin niét Tante Jans fan de Lindengracht.
Suze schudde verdrietig het hoofd. Ze begon de tafel af te ruimen.
— Dat U er maar niet toe besluiten kan, wat verstandiger met hem om te gaan, zei ze eindelijk. Moeder, neem ’m toch zooals ie is.
— Neme salie me n’m sekers wel, gaf haar moeder toe. En goed sal ’t ’m doen en een les föör s’n lefe is ’t ook.
Suze keek haar moeder verbaasd aan en nu vertelde deze haar, wat voor plan ze met haar broer Frans en Wim Bossenaar had opgemaakt. Het meisje moest hartelijk lachen om de geestdrift, waarmee haar moeder over het geval sprak. Niettemin had ze er bezwaren tegen.
— Ik snap niet dat U zooiets aanhaalt, zei ze. Vader doet een beetje vreemd en hij is nogal uithuizig, maar er steekt immers niet het minste kwaad in hem. En al hebt U nu wel eens kwestie met hem, is dat toch nog geen reden, hem door de jongens te laten afranselen. Als ze hem nu eens een ongeluk aandoen, wat dan?
— Och meid, ’t is toch maar föör de jen, stelde moeder haar gerust.
328