Je weet ommers wat een lammetje me broer Frans is. En dan die Wim Bossenaar, diè ijlt over niks anders as eterisch en nog ’s eterisch. Dat mot soofeel as beteekene, as behandel de diere met sachtheid, spaar me föör dronkelappe.
Suze moest nu opnieuw lachen.
— Suse lacht, jubelde Dirrekie en schaterde mee.
— Nu, ik hou me er buiten en zoodra vader thuis komt, ga ik naar bed, zei het meisje. Weet U ook waarom Gertrud niet is komen eten, moeder?
— Die? vroeg Tante Jans, op een toon vol verachting. Die is netuurlijk weer de hort op; wat doch je dan?
Dat antwoord stak Suze in de borst, van verdriet om Max. Dien ochtend had hij nog wel zoo’n goede bui, toen hij op kantoor kwam. En haar had hij verteld, dat Gertrud zoo lief en verstandig werd.
— Wat bedoelt U? vroeg ze zacht. Is ze al lang weg?
Tante Jans trok de schouders op.
— Wat ik bedoel, hoef ik jou toch niet meer an je neus te hange; je snapt ’t alsoogoed as ik. Wat ik d’r fan snap is, dat die Branders weer foor een paar dage op reis is. Telkes as die meid dat in de smiese hêt, is se met geen stok in huis te houwe. Reken maar fan jès dat se fannacht niet bofe water komt. Maar, ’t sijn mijn saké niet en ’k smoes d’r niet ofer.
Suze schudde bedroefd het hoofd. Max zou dien nacht wèl thuis slapen, wist ze. Ze zuchtte.
Dien avond was het in de kroeg van Dikke Griet nog drukker en ging het er nog vroolijker toe dan gewoonlijk. Al de bekende jongens wisten dat Frans en Wim dien nacht hun kraak zouden zetten, bij Linken Gerrit. Nu kwamen ze met z’n allen opzetten, om de grap nog eens uit hun eigen mond te hooren.
De jongens hadden zich met hun glas bier aan een tafeltje, in een hoek, neergezet en gaven opgewekte antwoorden, op alle belangstellende vragen. Dikke Griet en haar dochter en zuster hadden bijna geen handen genoeg, om de bestelde glazen en glaasjes in te schenken. Die eenmaal zijn eersten borrel te pakken had, voegde zich bij de ploeg die zich om de jongens verdrong. Het werd een oorverdoovend dooreen geschreeuw van vragen naar het laatste nieuws en het uiten van allerlei raadgevingen.
Manke Dries en Schele Ko zetten den grootsten mond op. Ze joelden over allen heen, dat zij den Linke altijd het meest op stang hadden en dus het beste wisten, hoè hij behandeld moest worden. Bart Prent, een opperman en Lou van der Neut, een losse sjouwerman, die nooit werkten, noemden hun praatjes opschepperij. Toen Dries en Ko daarop verontwaardigd opstoven, begonnen zij luidkeels de bakken te vertellen,
3*9