— Zóó is het geen spel meer, merkte de baron aan. Je bent nog maar met je tweeën over. Ten Brakel, laat dit dan in elk geval de laatste ronde zijn; winnen of verliezen. . . . stop!
— Ik... . geef ook niet... om ’t geld.... ik. . . geef.... niet zóóveel ... om . al dat geld.... geld, stamelde deze met dikke tong.
— Nou, dan weet ik goed gemaakt! riep Geerlings. Stop er mee en deel den poet tusschen Bronkhorst en mij. Wij geven er toevallig wèl om.
Ten Brakel vlijde liefkoozend zijn arm om Gertruds middel. Ze weerde hem flauw af, maar bleef zitten.
— Niet spartelen. . . . kleintje, niet. . zoo woelen. Goed, Aaron, nog. . . één. . . . spelletje.
Kaufmann liet hem een kaart afnemen.
— Nu, hoeveel? vroeg hij dan, als de ander aarzelde.
— Ik... . geef niet.... ik geef niet ... niet zóóveel.... om het.... geld, pochte de student.
— Klets niet; hoeveel?
— Ik... . geef niéts.... totaal niéts.... om geld, herhaalde de ander koppig, mijn heele winst . . . winst. . . . waag ik. . . . waag ik... . ik weet niet ... hoeveel ’t is. Jij... . jij geeft een kaart.... kaart.... en als ik niet zeg.... zeg.... stop stop.... geef je nog.... nog één. Win jij... . dan is alles.... alles.... voor jou.... allemaal voor jou. . . . jou. Win ik. . . . ik . . . dan brengt deze. . . deze jonge dame. . . . da-ame. . . . me naar huis. . . . huis. ... en dekt me. . . . dekt me. . . . warm toe. Is dat gesproken. . . . goed gesproken. ... als een man. . . . heeren?
Geerlings riep hoera! en Bronkhorst klapte in de handen. Bouwer stapte woedend op hem toe, maar de baron en Moritz grepen hem ieder bij een schouder. Op datzelfde oogenblik nam Ten Brakel een kaart, bekeek haar en smeet haar dan, met de andere, op tafel, onder een kreet van triomf.
— Harten tien en schoppen aas! riepen de schilders tegelijk.
— Gewonnen! joelde de student. Ga mee, Gert, die heele mikmak gaan we samen opmaken!
Hij slingerde den arm om haar hals en sleurde haar op zijn schoot. Kaufmann, woedend, sloeg op tafel en liep op hem toe, maar Bouwer was hem voor. Met één ruk had hij de beide Rozenbloeds van zich af geslingerd. Bijna op hetzelfde oogenblik greep hij Ten Brakel bij den Schouder.
— Laat haar los! schreeuwde hij, opgewonden van drank en hartstocht.
— Met jou heb ik niets. . . .
Bouwer gaf hem een klap en tilde Gertrud op. Ze gilde. Ten Brakel liet haar los en toen sprong ze op, liep naar de Rozenbloeds.
326