de Langstraat. Je laat je dan eerst door Hoekstra heelemaal op de hoogte stellen en neemt vervolgens zelfstandig de propaganda in de provinciën Brabant en Limburg op je.
— En.... na de overwinning?
— Ni de overwinning blijf je in één van beide als regeeringscom-missaris.
— Dus tóch een soort van Dictatuur, antwoordde Kaufmann, kalm. Als jouw toeleg gelukt, dan mag ik me als provinciedictatortje in een Brabantsche negorij vestigen. Nee, kameraad, daar dank ik voor, daar laat ik de Partij en mijn positie en vooruitzichten niet voor schieten. Nu mijn voorstel. Ik blijf in de Partij, werk in stilte voor jou en het Verbond, sta je met raad bij, als je dien noodig hebt en geef voor alle voorkomende gelegenheden goede wenken.
— Zoo zoo? En wat verlang je daarvoor terug? vroeg Bouwer.
— Als het Verbond wint.... een portefeuille, antwoordde de ander, met nadruk.
Bouwer schudde het hoofd.
— Dat zou al een zéér eenzijdige overeenkomst zijn; voor jou niet de minste risico en niet dan goede kansen aan alle kanten. Alle voor-deelen dus voor jou en niet één voor het Verbond. Bijvoorbeeld, wélke zekerheid heb ik inderdaad, dat je in stilte voor het Verbond werkt?
Kaufmann lachte heesch.
— Wel, de allerbeste; mijn wensch om minister te worden. Of denk je dat ik me verbeeld, dat Averling me ooit een portefeuille zou gunnen? Enfin, nu weet je wat je aan mij hebt. Denk er een paar dagen over na. Kun je met mijn voorwaarden instemmen, dan ben ik óók nog bereid, een onderpand te geven.
Hij grinnikte. Bouwer keek hem ongeloovig aan.
— Wat bedoel je daarmee?
Kaufmann keek om zich heen. De Pathéfoons zwegen. Jo zette een nieuwe rol in de pianola. Een Weensche walsmelodie ruischte door het salon.
— Elsie! riep hij, bijna gebiedend.
Ze liet Ten Brakel, die den arm om haar middel legde, staan en snelde op de beide mannen toe.
— Haar bedoel ik, fluisterde de gastheer Bouwer in het oor. Erken je, dat zóó’n onderpand voldoende waarborg is? Ze walst verrukkelijk, voegde hij er luid aan toe.
Bouwer ontving haar met die blikken van omhelzende bewondering, welke haar zoozeer bekend waren. Haar oogen schitterden in de zijnen, als hij den arm om haar vlijde. Dan, zweefden ze door de zaal.
Ze trilde van genotsaandoening.
— Wat ben je groot en sterk, zei ze, met vleistem.
321
21