fluisterde hij, naar het scheen alleen voor zich. Of ze mooi is? Ze heeft beenen als een prinses.
Kaufmann lachte ongeveinsd, om dit blijk van bewondering.
— Zullen we eerst even over onze zaken praten? vroeg hij, alsof het meisje hem heel niet tot belangstelling inspireerde.
— Kaufmann, zet je radio open! riep Geerlings. We moeten een Charleston hebben! Gauw, anders doe ik ’t zelf.
De gastheer, anders een enthousiast radio-acrobaat, trok de schouders op. Jo stond ijlings op en zette zich voor het toestel. Ze bladerde het program door en zocht toen naar een station.
Bij Kaufmanns vraag richtten zich Bouwers gedachten aanstonds weer op de zaak die hem het naast was.
— Ik blijf bij hetgeen ik je gezegd heb, zei hij. Je raakt onherroepelijk je zetel kwijt, tenzij je met het Verbond meegaat.
De gastheer zette een leep gezicht.
— Nu zijn we weer even ver. Hoè kun je mij mijn zetel verzekeren, als ik in de Partij blijf? Of wil je het kunststuk uithalen, me tegelijk op de partijlijst en die van het Verbond te laten voorkomen?
De leider glimlachte geheimzinig.
— Laat dat maar aan mij over, antwoordde hij. Voor mij is het allereerst de vraag, hoe we van je oprechtheid zeker kunnen zijn en daarna.. . .
Het radio-gekletter overstemde hem. Jo had een station ingeschakeld dat dansmuziek uitzond. Geerlings liep op Gertrud toe en danste met haar weg. Bouwers blikken volgden haar; haar slanke beenen suggereerden hem.
— Ik kan mijn politieke carrière niet geheel op het spel zetten, door me zonder meer aan het Verbond te geven, begon Kaufmann weer. Met alle respect voor je eerlijk karakter, zou ik toch graag een bepaalde houvast hebben.
Hij zweeg, daar Rozenbloed zijn clubsessel naar hen toeschoof en zich in het gesprek wilde mengen. Zijn zoon danste met Jo en Ten Brakel en de andere schilder sloegen met hun handen de maat.
— En, geweldenaar? vroeg de baron, hoe sta je met je omwenteling?
Bouwer kende hem persoonlijk, sinds hij hem eens een som geld had
gegeven, voor noodlijdende stakers. Hij vermoedde, evenals de partij-grooten, dat de sluwe financier voor een ruim bedrag had ingeteekend op de leening van het Verbond, terwijl de baron zelf er niet zeker van was, dat het den leider verborgen was gebleven. Daarom beschouwden beiden elkaar half als bondgenooten, half als tegenstanders, maar bovenal als mannen van beteekenis.
Bouwer glimlachte goedmoedig.
317