Kaufmann aangaande Bouwer had gezegd. Als het eens waar was? Koning was toch altijd véél meer dan baron. En jong en blond en groot, was hij. Ze lachte om een grap van Rozenbloed en speurde weer terloops naar Bouwer. Hij keek voor zich. Zou hij haar niet mooi vinden?
Kaufmann viel het op, dat de jonge mannen het zich aantrokken, dat Gertrud zich uitsluitend met Rozenbloed bezig hield. Dat bedierf de stemming, vond hij.
— Héla, wordt er niet meer gedronken? riep hij en ging naar het buffet. Wijn, likeuren, borrels! Heeren, bedien je, ik kan niet aan het inschenken blijven. Jo, laat ons een stukkie muziek hooren; schakel de pianola in!
Jo koos een rol uit en draaide den schakelaar om; de deuntjes uit een volksstuk rumoerden door het salon. Geerlings, een schilder die een koriste tot model had, zong met vrouwenstem mee.
Rozenbloed schonk voor zichzelf en Gertrud champagne in. Bouwer nam een Bols. Ten Brakel, die Moritz Rozenbloed tijdelijk aan zijn anderen vriend had overgelaten, ging nu bij hen zitten en bracht het gesprek op het onderwerp moderne kunst. Hij kende dit als een beproefd middel, om van niet al te intelligente rijkaards geld los te krijgen. Geerlings doorzag zijn bedoeling en staakte het zingen. Op zijn voorbeeld legden ook de drie anderen zich er op toe, door het mengen van verschillende likeuren en borrels verrassende kleureffecten te verwekken, die met den geest van het gesprek verband hielden.
Kaufmann klonk met Bouwer.
— Nu, wat zeg je wel van mijn verrassing? vroeg hij.
Meteen wenkte hij Jo, die weer bij den leider was gaan zitten. Ze stond op, om schalen met lekkernijen op de tafels te zetten.
Bouwer antwoordde niet direct, doch blikte naar het meisje. Ze bemerkte het, kleurde, doch wendde zich weer, lachend, den baron toe en nipte aan zijn glas. Dan, dronken ze elkaar toe, de armen ineen gestrengeld. De leider keek verbaasd van haar naar Kaufmann en dronk nadenkend zijn borrel.
— Ze schijnt me een bizonder meisje toe, antwoordde hij nu. Ik heb er tenminste nog nooit zoo een gezien, in gewonen omgang.
— Och kom, bizonder? vroeg Kaufmann, een stille grijns om den mond. Ik vind haar lang niet zoo lief als Mea en zeker niet zoo mooi.
Mea.
Bouwer zag haar in gedachten, met haar frissche kleur, hartelijken blik en altijd tot kus gereeden mond. Hij schudde het hoofd, weifelde een moment.
— Mea is mooi, maar melk en bloed, zei hij dan. Zijn stem verzachtte. Deze schijnt énkel bloed, of éérder nog, champagne, geloof ik,
316