het gelaat van den leider. Flirten en schertsen met mooie vrouwen was hem éven eigen en éven gewoon, als geld verdienen. Zijn kennersblik had aanstonds bespeurd dat het meisje temperament had en waarschijnlijk niet bewaard was gebleven voor de perversie der wereldstad-déca-dence. Hoewel reeds over de zestig, kon hij deze eigenschappen, bij een een mooie jonge vrouw, nog altijd op hun eigenaardige waarde schatten.
Het kwam niet bij hem op, Kaufmann aangaande het meisje te ondervragen. Trouwens kende hij den propagandist lang genoeg, om te weten dat hij in geen geval méér zou vertellen, dan hij noodig achtte. Doch, hij twijfelde er geenszins aan, of hij moest er wel een, voor hem, gewichtige reden toe hebben, haar, zoo chic gekleed, in zijn salon als het ware ten toon te stellen.
Wat die reden kon zijn, liet den baron voor het oogenblik onverschillig. Voorloopig had hij er zijn schik in, zich tegenover het meisje als geestig „kavalier” voor te doen. Om daar in te slagen diepte hij al de grove witzen uit zijn geheugen op, waar hij vroeger, in Duitschland, altijd zoo’n groot succes mee had. Zoodra ze daar, met ongetemperden lach en tegenwitz, op reageerde, kende hij haar, aan haar soort.
— Sie sind ein richtiges Berliner kleines Madchen, zei hij, half-luid.
Zooals hij verwacht had, beaamde ze dat, zonder zelfs een schijn van de verontwaardiging, die deze uitdrukking bij een dame zou hebben verwekt. En nu, denkend aan de geschiedenissen, die in Duitschland de ronde deden, nam hij zich voor behoedzaam te zijn; hij was uiterst zuinig op zijn gezondheid.
Kees ten Brakel voelde zich wat spijtig, om het schijnlijk spoedig succes van den baron, bij Gertrud. Door zijn handdruk had hij haar doen begrijpen dat hij haar nog niet vergeten was en met zijn oogen beduid, dat hij haar incognito aanvaardde. Ze had hem zoo dankbaar toegeblikt, dat hij er alles uit had kunnen opmaken, doch zich daarna uitsluitend met den baron ingelaten. Nu ze vertrouwd was met de dure inrichting van Kaufmanns woning, bracht de herinnering aan Ten Brakels kamer haar op het denkbeeld, dat de student allesbehalve welgesteld kon zijn. Daarentegen scheen haar de baron iemand van ruime middelen toe. Onder het praten met hem keek ze af en toe verstolen naar Bouwer. Ze hield van groote, sterke mannen, als hij. Zijn breede rug en geweldige handen boezemden haar iets als eerbied in en zijn groote, blauwe oogen en kort, dik blond haar deden haar denken aan iemand, aan een tijd.
Toen wist ze het. . . .
Aan Hans, haar jeugd; aan Berlijn.
Denken aan hem bracht haar niet meer, als vroeger, de tranen in de oogen. Maar toch achtte ze het een gave èn een voorrecht, voor een man, op hem te lijken. En nu herinnerde zij zich geheel weer, wat
315