ling van joligheid in de oogen, een zoete, blijde lach, die tegelijk vreugde èn belofte scheen uit te drukken, om den mond.
De gesprekken waren verstild, de glazen bleven een oogenblik onaangeroerd.
Kaufmanns vettig gezicht glom van triomf.
Drommels! riep Bouwer, ik trek mijn woorden in. Ze is een verrassing en blond is ze óók.
De gastheer ging het meisje tegemoet, nam twee van haar vingers in zijn plompe hand en leidde haar naar zijn gasten. Bouwer en Rozenbloed stonden op.
— Baron Rozenbloed, meneer Bouwer. . . juffrouw Elsie Muszen-bach, zei hij.
Daarna noemde hij ook de namen van de jonge gasten, die aanstonds een kring formeerden om het mooie meisje. De baron schoof haar de clubsessel toe, waar hij in gezeten had en ging, voor haar, in een lagen stoel zitten.
— Ik plaats me aan Uw voeten, zei hij galant en beschouwde oordeelkundig haar beenen.
Ze antwoordde met een gemeenplaats, waar de baron beleefd om schaterde. Dra ontwikkelde zich een levendig heen en weer praten, tusschen hen. Gertrud had nauwelijks den titel „baron” verstaan, of ze had reeds besloten, hem voornamleijk haar belangstelling toe te bedee-len. Het was lang geleden sinds ze iemand van adel, dien ze in Berlijn in elk café ontmoeten kon, gezien had. Al scheen deze baron dan ook veel ouder dan haar vader te zijn, voelde zij zich, onder den invloed van haar herinneringen, hem veel meer nabij dan den aanwezigen jongen mannen.
Bouwer was nog te veel onder den indruk van haar, voor hem zoo ongewone, verschijning, om zich over haar spontane voorkeur te verbazen. Jo zei iets tegen hem, doch hij antwoordde verstrooid, daar hij intusschen het mooie meisje vlak in het gezicht keek. Zij echter onderging de vrijmoedigheid van den ouden baron als een haar bekende behandeling, antwoordde zonder aarzelen op zijn gewaagde uitdrukkingen en kleurde daarbij van plezier. De houding van Rozenbloed hinderde Bouwer, alsof die iets aantastte wat van hem was; een gevoel van jalouzie, als hem ten opzichte van vrouwen nog nooit bezwaard had, drong zich nu aan hem op. Het was hem ,of hij het meisje moest beschermen tegen de blikken en impertinente woorden van den ouden man; niet, terwille van haarzelve, maar omdat ze van hem was. Wrevel vervulde hem, wijl de baron zich het recht scheen toe te kennen, op alles beslag te leggen en zich alles toe te eigenen, omdat hij eigenaar was van een paar millioen.
Rozenbloed bemerkte echter niets van de sombere uitdrukking op
314