Direct, echter, verdween haar vreugd; haar wenkbrauwen fronsten zich.
En als ie nu eens aan Max vertelt, dat ie me hier ontmoet heeft? vroeg ze, beangst. Ik maak dat ik weg kom, vóór hij er is.
— Wat is dat voor malligheid. Ként hij je dan?
— Ik ken hém niet.
— Dat komt op hezelfde neer, dan kent hij jou ook niet. Of heeft Max een portret van je?
— Wat zou hij daar mee?
— Nu, zie je wel? Bouwer heeft er geen gedachte van, dat jij de vrouw van Max bent, als ie je ziet.
— Maar hij hoort toch wel dat ik een Duitsche ben.
Kaufmann schaterde het uit.
— Er zijn wel twee duizend Duitsche meisjes in de stad. Alleen je naam zou je misschien kunnen verraden. Noemt Max je ook altijd Gertrud?
— Dat is ook een vraag. Hoé zou hij me dan noemen?
Hij kneep de oogen half dicht.
— Dat weet men soms niet, van zoo’n verliefden knul. Voor alle zekerheid moet je vanavond maar anders heeten. Wat dunkt je van Elsie?
— ’t Is mij allemaal goed, als ik er maar niet inloop. Als ik maar een vermoeden heb, dat die Bouwer me aan Max verklikt, ga ik nooit weer naar huis terug.
— Wees toch wijzer, die man heeft wel wat anders te doen. We vertellen hem dat je uit Mannheim komt; is het nu goed?
Kinderlijk klapte ze in de handen. Dan, stak ze waarschuwend den vinger op.
— Halt, ho! riep ze. Die Brakel kent me precies en als die . . . .
— Komt in orde, stelde hij haar gerust. Ik vertel hem vooraf dat je vanavond Elsie heet en dan verspreekt hij zich niet.
Op tafel trilde een belletje. Hij stond op.
Jo waarschuwt me.
— Zijn ze er al?
— Misschien. Ga jij je nu eens in de slaapkamer zoo mooi mogelijk maken. Dag!
Hij kuste haar in den hals.
In het salon zaten Kees ten Brakel en twee andere kennissen van Kaufmann uit nachtcafé’s, op hun gemak te rooken. Ze groetten den gastheer met onverschillig handwuiven .
— Bonsoir!
Jo kwam binnen, mengde zich even in het, nu algemeen wordend, gesprek. Ze het de glazen voordeur van het buffet bij wijze van tafel
309