— Met hèm niet en met niemand, vanavond. Ik maak dat ik op tijd thuis ben. Om elf uur wil ik kinnen zijn.
— Dan al? uitte hij, teleurgesteld. Zoo vroeg kun je niet weg.
— Huil maar niet. Als Max werkelijk op reis is gegaan, kom ik morgen terug. Als ie me snapte. . . . poeh! Of zou jij me soms willen onderhouden, als ie me wegjoeg?
— Voor lang?
— Voor altijd.
— Dat duurt verbazend lang. Ben je niet benieuwd wie er nog meer komen?
— Geef me eerst een sigaret. Merci. Vertel nu maar.
— Bouwer, Willem Bouwer.
— Heelemaal nog nooit van gehoord.
— Wat maak je me nü wijs? Nog nooit van Bouwer gehoord? Hij is immers Max zijn chef, de baas van het groote Verbond.
Weer schudde ze onverschillig het hoofd.
Maar kind, doe toch niet, of jou niéts in de wereld aangaat. De man is nog grooter en nét zoo blond als Kees ten Brakel en. . . .
— En? vroeg ze, met van pret tintelende oogen, als verwachtte ze een verrassing.
— Hij is bijna een koning.
Teleurgesteld stampte ze op den vloer.
— Loop heen, met die malligheid. Als ie Max zijn chef is, dan lijkt ie nét zoo veel op een koning als hij.
— Vergis je niet, meisje, hij is wel honderd maal méér dan Max. Hij heeft honderd ondergeschikten, als je man, en elke week brengen twee honderdduizend menschen belasting op, voor zijn schatkist, zei Kauf-mann, op een toon van afgunst. Noem jij zóó iemand minder dan een koning? Als hij één hand opsteekt, roepen twee honderdduizend werklieden: „Hoera!’* en als ie de andere hand er naast doet, schreeuwen ze: „Leve Bouwer!” Doen ze dat voor Max óók?
Nu schitterden Gertruds oogen.
— Dat is heel mooi, maar het is niet waar, wel? Als ie echt zoo mooi en zoo groot was, en zoo veel macht had, zou hij immers niets met werklieden te doen willen hebben. Dan zou hij wel maken dat ie héusch koning werd.
Een schaduw van ernstig nadenken gleed over Kaufmanns gelaat.
— Lieve meid ,zei hij, bedaard, je moet niet denken dat dat allemaal onzin èn volstrekt onmogelijk is. Het zou werkelijk nog wel kunnen gebeuren, dat die man zich koning maakte.
Ze sprong op en kneep hem van verwachting in den arm.
— Kan dat heusch? vroeg ze. O, dan maakt hij mij misschien koningin! jubelde ze, luid.
308