— Maar, hoe doen we dan met de Langstraat? vroeg Bouwer, ongeduldig. Hoekstra heeft dringend hulp noodig. We kunnen de provincie niet voor de stad verwaarloozen.
— Branders gaat er met den ochtendtrein heen, dan kan hij er voor mijn part zijn hart ophalen. Kom je vanavond nog hier, na den eten? Ik blijf doorwerken.
— Ja, jongen. Néé, verdorie, dat is waar ook; ik heb een uitnoodiging. Tot morgen dan. Maak zoo spoedig mogelijk die kwestie van de schadevergoedingen in orde. Daar mogen wij geen last mee krijgen.
Na den maaltijd nam Kaufmann Gertrud mee naar zijn studeerkamer; Jo ruimde intusschen met het meisje de tafel af. In tegenstelling tot gewoonlijk, deed hij niet overdreven verliefd tegen haar, maar ging lui zitten. Hij stak haar sigaret aan en nam zelf een sigaar. Dan, vergenoegd ,een wolk rook uitblazend, blikte hij behagelijk in haar opgewekt gezichtje.
— Je bent mooi, mijn liefje, zei hij, tevreden. Eigenlijk ben je ook véél te mooi, om trouw te zijn.
— Wil ik ook niet.
— Je zou het niet kunnen, nooit.
Ze schudde onverschillig het hoofd.
— Dat weet ik nu niet. Maar, Max zéker niet.
— Niemand.
— Wie weet, zei ze peinzend. Als ik een man had, die zoo bizonder was, dat iedere andere vrouw jaloersch op me werd, zou ik hem wèl trouw blijven.
— Wat voor een man? Een koning, bijvoorbeeld? schertste hij.
— Ja, een koning of zoo iemand. Ik denk dat er wel leelijker koninginnen zijn.
— En öf.
Zijn stem klonk nu ernstiger.
Weet je wie er vanavond komt? Kees ten Brakel.
Ze trok de schouders op.
— Kèn ik niet, zei ze, op beslisten toon.
Dan, zich opeens bezinnend :
O, die mooie blonde, die in de straat van mevrouw Branders woonde? Bedoel je hem?
— Ja, die mooie blonde, gaf hij, spijtig, toe. Je bent toch niet van plan, me met hèm ontrouw te worden? vroeg hij, half schertsend, half in ernst.
307