— Ik krabbel nog niet half terug, maar ik kan vanavond nu eenmaal niet. Er komen een paar kennissen een glas wijn bij me drinken. Weet je wat, kom óók.
Bouwer keek hem schuin aan.
— Wat is dat voor gajis? vroeg hij. Lui als Van Berghem en Bob Bogaerts? Diè wil ik niet ontmoeten.
— Dié! riep Kaufmann, op een toon van verachting. Dat is ook net een knap span voor een lijkkoets. Nee, andere lui, je kent er wel een paar van. Breng Mooie Mea mee.
— Dat is uit, antwoordde Bouwer, ernstig. Je manier van bestrijden was laag, maar ik heb er toch van geleerd.
— Is ’t werkelijk zoo? vroeg de ander, met van blijdschap trillende stem.
Nog altijd hunkerde hij naar haar, geprikkeld door haar laatste smadelijke afwijzing. Zelfs gedurende zijn verhouding met Gertrud, had hij het trotsche meisje niet kunnen vergeten.
— Ja, we staan heelemaal vrij van elkaar, bevestigde Bouwer. Spreek dus niet verder over haar.
— Dan niet getreurd. Bij mij kun je vanavond een verrassing vinden, die je haar heelemaal doet vergeten.
— Ik hou niet van verrassingen. Is ’t een prettige of een beroerde?
— Een blonde; méér zeg ik niet.
— Van dié verrassingen heb ik juist mijn bekomst. Enfin, ik kom. . . .
In de stad stapte hij in een taxi over en reed naar het nieuwe Gebouw. Den vorigen dag waren er de machines aangekomen en dezen middag zouden de monteurs al met het opstellen begonnen zijn.
De werklieden waren al weg, maar de wacht kende hem goed. De man strekte zijn hand uit, voor de sigaren die Bouwer hem bij elk bezoek gaf en schakelde het tijdelijk licht in. Bouwer ging even een kijkje nemen in het gebetonnerd sousterrain, dat voor machinezaal was ingericht. De romp van de gigante, twee en dertigzijdige rotatiepers stond al overeind. Nog een week, dwarrelde nu door zijn gedachten en ze zou voor haar werk gereed zijn en bereid, de kranten bij tienduizenden te drukken. Dan, dan zou het land eerst ten volle gewaar worden, dat Willem Bouwer op het oorlogspad was tegen de corruptie en de verdoemende elementen aanviel, om een gezonde volksgemeenschap te stichten. In den uitbouw zag hij de twee gietapparaten, de boormachine en nog eenige toestellen wier bestemming hem nog niet bekend was. Maar, alles zou hij zich spoedig eigen maken, nam hij zich voor. Hij wou alles weten en, als het kon, alles kunnen.
Op de derde verdieping kon hij niet hooger. De trap naar de hoogste etage was pas eenige dagen geleden gegoten en nog gehuld in haar
3°J
20