naar binnen en kwam er een kwartier later met het paspoort van Benkuur uit.
De jonge man was nu kalmer en meegaander, dan op het partijbureau. De vertrouwensman, die hem van vroeger kende, had een poos lang met hem gepraat, over de straffen, die hem waarschijnlijk nog in zijn leven te wachten stonden. In de auto, die Vierelier nu chauffeerde, naar het station, luisterde hij zwijgend naar Kaufmanns opmerkingen. Tot antwoord beloofde hij, zich in Londen strikt te houden aan de leiding van Simpleton.
Kaufmann kocht kaartjes voor de mannen en keek Benkuur, nu hij spoedig voor altijd vertrekken zou, voor den eersten keer aandachtig aan. Bemerkend dat hij, die door zijn gedrag het prestige en de eer van de Partij in gevaar had gebracht, pas hoogstens drie en twintig jaar kon zijn, voelde hij zich van ongewone warmte doordringen. Feitelijk was deze jongen nog maar een kind en hij werkte er toe mee, hem naar een vreemd werelddeel te verbannen. Nu ja, hij bleek gevaarlijk voor de gemeenschap te zijn ,maar veranderde dat door zijn vertrek? En, wie weet, als hij in die moeilijkste jaren andere vrienden dan juist een Sauer-man had ontmoet, of de verkeerde neigingen, in hem, zich niet tot nuttige gaven hadden laten vervormen. Kaufmann dwong zich tot een onverschillige houding, om zijn opkomende gevoeligheid voor den joegen man te verbergen. Hij keerde zich brusk af, greep snel eenige biljetten uit zijn portefeuille en duwde die, bijwijze van afscheidsgroet, Benkuur in de hand.
— Nu, het ga je goed; ik neem alvast te beenen. Probeer een ander mensch te worden, maar heilig zijn we geen van allen. Enfin, ik hoop dat er nog iets van je terecht komt. En nu, opgehoepeld. Koop wat lectuur en ga maar zoo vroeg mogelijk op de boot. Vierelier, hou er oog op, dat niemand zich met hem bemoeit. Goede reis!
Hij vond dat hij nu wel een hartigen maaltijd had verdiend en reed naar een restaurant, op het Plein. Onder het eten dacht hij aan de gebeurtenissen, van dien dag en dat verstoorde wel eenigszins het genot, van aan een goed-voorziene tafel te zitten; niettemin at hij gestadig door.
Voor boodschapper had hij gespeeld, boodschapper van Breebaart. En waartoe? Alleen om een vriendje van Sauerman uit de handen der recherche te redden. Waarom had hij zich eigenlijk daartoe geleend, wat kon hem, per slot van rekening, Breebaart en Sauerman allebei schelen? Voor die twee had hij nu zijn leven gewaagd, door uren achtereen aan het stuurrad te zitten, inplaats van binnen in zijn auto, warm in zijn pels en zijn handen in zijn zakken met zijn lekkere, warme busjes. Dwaas was hij geweest, door Hendrik thuis te laten, bij de kachel, en zelf den heelen dag te chauffeeren.
300