en ging vandaar naar het Binnenhof. In de koffiekamer bestelde hij een tweede ontbijt. Niet ver van hem af zat Bouwer te praten met een paar kamerleden, die evenals hij uit de Partij geroyeerd waren. Het gezelschap scheen op hèm heel niet te letten.
De woorden, die Breebaart hem tot afscheid had gezegd, kwamen hem weer in de gedachten; opnieuw te trachten, met Bouwer tot een vergelijk te komen. Ook dat nog. Alle beroerde en vieze baantjes werden als regel hèm opgedragen, in ruil voor de openbare bescherming der par-tijgrooten, die hij genoot, als hij eens buiten den band sprong, dacht hij, wrevelig. Hij wenschte zich opeens in Bouwers plaats, brutaal en onverschillig jegens de heele partijkliek, heelemaal zijn eigen zin volgend. Maar, wat zou er van hem terecht komen, als hij tegen alles in opstand kwam?
Toch verveelde hem die actie tegen Bouwer ook. Ze vergde overmatig veel werk van de propagandisten en putte hen uit, vóór de eigenlijke verkiezingsagitatie was begonnen. De laatste dagen voelde hij zich soms net een charlatan, als hij voor de arbeiders sprak. En zelfs als hij, geroutineerd en doorkneed in de rethoriek, als hij was, in het debat een, minder snedig, medestander van Bouwer versloeg, kon hij toch aan de stemming der vergadering bemerken, dat het publiek niet meer zoo zeker naast en achter hem stond, als vroeger. Daar maakte hij de gevolgtrekkingen uit, dat Bouwer voortdurend aan invloed won. En, wat die kwestie-Hellinga aanging, diè was al tot vervelens toe uitgebuit, terwijl er nog steeds geen nieuw propagandaparool voor in de plaats was gekomen. Eigenlijk dacht niemand meer aan Hellinga; steeds minder hoorders schenen hem, Kaufmann, ernstig te nemen,- als hij in gloeiende verontwaardiging sprak, over Bouwers bloed-schuld, aan den dood van zijn secretaris.
Hij liep op de telefooncel toe en knikte, onder het voorbij gaan, tegen den Leider van het Verbond. Bouwer beantwoordde zijn groet, hoewel een weinig ironisch. Hij belde het Argentijnsch Consulaat op en vroeg, of het, door Breebaart aangevraagd, visum, zou worden verleend.
Het resultaat verraste hem. In beleefde termen werd hem medegedeeld dat het paspoort, afgestempeld, tot zijn beschikking lag. Met ijverzucht dacht hij aan den kleinen, soms zoo belachelijk-doenden, Dikke, die door zijn millioenen zóó’n grooten invloed uitoefende. Daarom ook, en door geen andere oorzaak, dacht hij, was Breebaart de baas, zelfs over hèm, kon hij macht uitoefenen over arbeiders en leidende instanties. Daardoor kon hij hèm de beroerde akkevietjes laten opknappen en zélf den onkreukbaren magistraat demonstreeren.
Hij haalde Vierelier en Benkuur uit de woning van den vertrouwensman af en reed hen naar het Argentijnsch Consulaat. Daar ging hij
*99