— Sauerman vroeg of ik even bij hem kom, voor een gewichtige kwestie, zei hij, somber. Dat kan alleen om Benkuur zijn. Willen we dan maar gaan.
— Ik moet eerst wat eten, antwoordde Kaufmann, gedecideerd. Ik ben niet van plan te verhongeren, en nog wel voor zóó eentje.
Er was gedekt, maar alleen Kaufmann deed zich te goed. De anderen vergenoegden zich met een kop thee en een beschuit.
— Stuur je chauffeur naar huis en rij jij, fluisterde de Dikke. Ik heb er mijn reden voor.
Het woei fel. Allen zetten ze den kraag op.
— ’t Is wat moois, bromde Kaufmann. Ik haal me nog een pleuris op het lijf, voor die vieze vriendjes van Sauerman. Ga jij maar naar huis, Hendrik.
— Ja, mijnheer.
— Dat mag je wel voor hem over hebben, schertste Boutelje, aan zijn oor. Hij is méér van jou dan van ons.
— Hoe zoo?
— Ik bedoel van den kant van Sera.
De anderen stapten in, veinzend zijn verwensching niet te hooren.
Voor het Gebouw liepen twee mannen heen en weer, aan voorkomen en houding kenbaar als agenten in burger. Ze groetten Breebaart eerbiedig; hij knikte kort terug.
Sauerman was alleen. Toen de vier mannen binnen kwamen, stond hij op, doch liet zich dadelijk weer in zijn stoel vallen. Diepe groeven, in zijn dor gezicht, teekenden doorstaan verdriet; uit zijn roode oogen kropen langzaam tranen.
— Karei, hier ben ik, zei de Dikke, aangedaan.
Zij drukten elkaar de hand.
— Ik had je eigenlijk.... even alleen willen spreken, Marinus.
— Daar is nu geen gelegenheid meer voor. Er valt geen tijd te verliezen en we moeten geen woorden verspillen. Binnen een uur, moét hij de stad uit zijn.
— Weet je dan. . . . ? vroeg de hoofdredacteur, geschrokken.
— Hoe kreeg je het in je hersens, dien vlerk naar Weenen te sturen? viel Kaufmann geërgerd uit. De eerste de beste proleet was me liever geweest.
Sauerman bukte het hoofd, als een vernederd kind.
— Het is verkeerd, erkende hij, maar ik kon het niet helpen; ik hou zoo veel van hem. Hij wou het graag in de journalistiek probeeren en niet één burgerlijk blad wou met hem te doen hebben. Ik kón het hem niet weigeren, ik hou . . .
Hij legde het hoofd op de armen en huilde, snikte luid, als een moeder om een verongelukt kind.
29 S