Haastig schoor hij zich, schoot in zijn kleeren en dronk staande een glas melk met een ei.
— Ik eet wel iets bij den Dikke, zei hij, toen Jo er op aandrong dat hij eerst zou eten. Zeg aan Gertrud dat ze in elk geval op me blijft wachten. Ga maar een uurtje met haar naar Trianon. Heb je Hendrik al gewaarschuwd?
— Ja, de wagen staat voor. De busjes zitten in je zakken.
Ze trok hem zijn pels aan.
Een kwartier later werd hij aangediend in het trotsoh heerenhuis aan het Koninginneplein. Breebaart zat in zijn studeerkamer te praten met Boutelje en Averling. Sombere ernst hing als een schaduw op hun gelaat.
— Morgen. Kan het meisje me hier wat te eten brengen? Ik ben zonder ontbijt de deur uitgegaan
— Wij hebben geen van allen nog ontbeten, antwoordde de gastheer. Terwijl we even praten, wordt de tafel gedekt. Heb jij, in of buiten het partijleven, wel eens een zekeren Benkuur ontmoet, Albert Benkuur? Daar gaat hier de kwestie om.
Kaufmann keek peinzend om zich heen. Averling demonstreerde zijn gewoon, intelligent voorkomen wel ernstiger dan anders, maar, zooals hem voorkwam, alleen om niet bij den Dikke en Boutelje achter te staan. Deze echter liep opgewonden heen en weer, onder het prevelen van verwenschingen. Het goedmoedig, rood-bollig gezicht van den wethouder was als overdekt met een vochtig waas van ontroering. Zijn kleine oogjes dwaalden onrustig van den een naar den ander.
— De naam komt me niet onbekend voor, antwoordde Kaufmann, eindelijk. Vertel me eens iets van hem, dan valt me misschien wel wat in. Wat is ie, wat doet ie?
— De laatste twee jaar was hij voor de krant in Weenen, ontsnapte Boutelje, kort en scherp als een snauw.
— Stop, ik ken ’m al. Een lange, miezerige smiecht, iets als Van der Voorde, maar méér salonjonker. Heeft over modes geschreven, in het Haagsche Weekblad. Draagt een monocle, het type van een mor-finist of cocaïnist. Nèt wat ik zeg, een beter gekleede editie van het slag Van der Voorde.
— Is ie socialist? vroeg Breebaart.
— Wat noem jij socialist? Een werkman, die er op uit is korter te werken en meer geld te ontvangen? Of één, die een baantje aan de gemeente zoekt? Nee, zoover ik weet, is ie van héél fatsoenlijke familie.
— We hebben het nou toch niet over werklui, viel Boutelje korzelig uit. Daar is de heele wereld vol van. Breebaart bedoelt zijn principes, of hoe noem je dat? Gewoon, socialist, in één woord.
292