vertrouwen nam, sloten ze stijf de lippen op elkaar, zooals volksvrouwen doen, als ze een ongewichtig iets als groot geheim beschouwen.
Gertrud trok een beleedigd gezicht en toen zei Tante Jans dat de kat bevallen was van drie biggetjes. Een buurvrouw voegde daar aan toe, dat de diertjes allen een bankbiljet in den bek hadden en dat Tante Jans daarom zoo in haar sas was. Een andere vertelde weer, op geheim-zinnigen toon, dat de Koningin bevolen had, dat van dit jaar Paschen op Kerstmis zou worden gevierd, zoodat de menschen paascheieren op het ijs konden koken. Gertrud bemerkte spoedig dat zij haar voor den gek hielden. Ze stond boos op, liet haar koffie en boterhammen staan en ging heen. Op straat overlegde ze dat het verstandiger was, dien avond toch maar thuis te komen. Nu Tante Jans zoo onaardig tegen haar deed, kon ze ook wel van plan zijn, haar aan Max te verraden. Zoodra hij thuis was, zou ze hem voor de keus stellen, onmiddellijk te verhuizen, öf te scheiden. En dan zou ze er wel voor zorgen een woning te krijgen, waar niemand haar kon nagaan, wanneer ze wegging en thuiskwam.
Dra viel haar een sluw plannetje in, waar ze om lachen moest. Ze zou Max wijsmaken, dat Tante Jans altijd kwaad van hem, tegen haar, sprak en dat ze daarom verhuizen wou. Als Jans hem dan mocht verraden dat ze soms een nacht van huis bleef, zou ze dat meteen als een bewijs aanvoeren en dan moést hij haar wel gelooven. Dat waren dan twee vliegen in één klap gevangen. Ze kon wel loopen dansen, van pret, om dien kostelijken inval. Nu bleef ze zeker over nacht uit, nu stoorde ze zich beslist niet aan de praatjes van Tante Jans. Alleen, overwoog ze, bleef de kans bestaan, dat Max in den avond toch thuiskwam.
De gedachte daaraan deed haar weifelen. Toen ze voor Kaufmanns huis stond en aanbelde, was ze er nog niet zeker van, wat ze zou doen.
Dien ochtend werd Kaufmann onverwacht door Jo wakker geschud.
— De Dikke is aan de telefoon, hij moet je hebben. Hier is de hoorn.
— Laat ’m over een uur nog maar ’s opbellen, zei hij, wrevelig. Is dat iemand opporren, midden in den nacht.
— Er is haast bij, zegt ie. En je moest immers toch naar de kamerzitting.
Meteen liep ze de kamer uit.
— Hallo! zei hij, korzelig. Ik ben het. Wat is er voor een haast-kwestie?
— Kom zoo gauw mogelijk bij mij, antwoordde de wethouder, op gejaagden toon. Liefst direct, er is haast bij.
— Waarom dan?
— Dat kan ik zoo niet zeggen. We wachten op je.
291