walgde, dat hij haar aan een verhit boschdier deed denken en ze zich, trots haar groote ervaring, besmeurd voelde, door haar aanwezigheid in zijn huis. Maar alles wat ze daar te genieten kreeg, èn zijn attenties en geschenken waren haar reeds zoozeer tot behoeften geworden, dat ze zich er aan wende, hem als een afstootelijk, maar onafscheidelijk aanhangsel van al dat heerlijke te beschouwen.
De inrichting van zijn woning en de gastvrijheid die daar den toon aangaf, deden haar denken aan haar vroeger leven, met haar Berlijn-sche vrienden. Uiterlijk was Kaufmann weliswaar de tegenstelling van de kranige officieren, met wie ze haar jongste jaren genoten had, maar zijn zucht naar genieten en uitgaan, zijn vrijgevigheid, en het gezelschap dat hij bij voorkeur zocht, waren toch eender aan dat alles bij hen. Wat haar echter in zijn huis het gelukkigst maakte en haar, niettegenstaande haar afkeer van zijn persoon, er altijd weer terugtrok, was de overtuiging dat daar weer het leven der hoogere standen heerschte, waar ze, in Berlijn, mee kennis had gemaakt en dat blijkbaar aan Max geheel onbekend was.
Dien eersten avond, dat ze weer bij hem was, had ze hem verteld dat haar vader een edelman van oud geslacht was, doch zijn geheel vermogen door de inflatie verloren had en nu, door middel van een laag-gesalarieerde betrekking, in het onderhoud van zijn gezin moest voorzien. Kaufmann had daar niets van geloofd en er in stilte om gelachen. Evenals Helen Branders had hij haar achterbuurt-Berlijnsch herkend en hij verkeerde reeds te lang met werklieden, om in haar iets anders dan een werkmansdochter te zien. Maar, hij ontnam haar de illusie van haar leugens niet en gaf haar zelfs een sommetje geld, om het den „verarmden baron” te sturen. Vader Kunath bedankte haar en haar „freund” in een brief aan Kaufmanns adres en schreef sinds dien geregeld een maal per week, om de connectie met den royalen gever aan te houden.
Voor Kaufmann was ze een verrassend geschenk van heerlijke waarde. Sinds het Partijbestuur hem genoodzaakt had, met Carla van Maasdam tot Hoogheveen te trouwen, dorst hij zich niet meer zoo onverschillig aan uitspattingen over te geven, als vroeger. Daardoor miste hij de emotioneele ontmoetingen, die zijn leven nog eenige fleur gaven. Wel had hij de vriendschap aangehouden met eenige charmante pensions voor gezellig verkeer, maar de gasten, die hij daar trof, kende hij al zoo lang, öf hadden al haar aantrekkelijkheid voor kennismaking verloren. Jo, de nog jonge huishoudster, die zijn eigen woning beheerde, was lief en aanhankelijk, maar een jong meisje met spirit, zooals hij Gertrud zag, had hij in geen jaren ontmoet.
Ze was mooi en had dikwijls iets reins in haar blond-blank gezicht, in haar blauwe Gretchenoogen. Ook kon ze vroolijk, ja, guitig zijn, grappige liedjes zingen en ze had een opwekkend temperament, dat zijn
288