hiet ’t Gerrit foor en Gerrit na en staat ie klaar en laat ie se eige foere alles alléén op te knappe, ook as ’t haarlui werk is. Alleen maar, as om dat ie soo link is, snappie? Dat laat ie se eige teminste insmoese en intus-schen werkt en sjouwt en sleept ie, meteen foor haarlui en si/lui hebbe d’r dijn in en lache, lol meheertje, fan heb ik jou daar. Maar ééns loopt me de gal ofer, Frans en dan mot ’r een end ankomme.
Nu wrong de jongen zijn oolijken snuit in ernstigen plooi, doch knipoogde intusschen verholen tegen zijn vriend. Maar Bossenaar had zóó te doen met Tante Jans, dat hij dat niet eens bemerkte.
— Komt ie schaften? vroeg Frans, op, voor zijn twintig jaar, manhaften toon. Dan zal ’k hem maar eens onder handen nemen en ’m de waarheid zeggen waarde van omvalt. Ik heb er net goeien zin in.
— Een kérel ben je, as je ’m laat omfalle, alleen fan de waarheid segge, spotte zijn zuster. Daar is tie ommers feuls te link foor, sou ie meteen segge. Waar blijf je dan? Nee, en schofte komt ie niet en dat is maar goed ook; ik sou me maar kwaad make. En met smoeze kom je bij hèm toch niet ferder. Weet je wat hij noodig hêt? Een douw, een schrik waar die fan beeft en d’r bofe op, een pak foor s’n falie. Dan foelt ie meteen dat ie nog niet half link genogt is. Dat, en dit alléén hêt ie noodig; nou jij en dan ik.
Gertrud kwam de kamer binnen, gekleed om uit te gaan.
— Dag, Tante Jans, ik ga een boodschap doen, zei ze, vrij goed Hol-landsch sprekend.
De beide jongens staarden haar verbluft aan. Ze leek in hun oog een echte dame, zóó veel poeder had ze op het gezicht. Frans wreef voorzichtig in zijn oog en knikte tegen Wim.
— Dat is jouw zaak, ajuus dan, zei Tante Jans, onverschillig. Wat maak jij toch foor minus? vroeg ze haar broer.
— Ik heb een stoffie in mijn oog.
Gertrud lachte tegen hem en ging haastig heen.
Wie is dat, Jans? vroeg de jongen. Je had me wel ordentelijk kunnen voorstellen.
— Wat nou? antwoordde ze, spottend. Je mot toch niet met haar danse. Se is getrouwd, met Branders en se wone op de kamer, bofe.
— Ken ik niet, nooit van gehoord.
— Wel waar, viel Wim in. Zeker Branders van het Verbond.
— Ja, die is ’t nèt, zei Tante Jans. Waar se nou opeens soo froeg heen mot, mag de duf el wete; maar ’t sijn mijn saké niet.
— Nee, ’t gaat je niets aan, gaf Frans, listig, toe.
— Dat sou ik nou niet soo hardop segge. ’t Is mijn woning en d'r fait niet soo groot op mijn Suze te segge. Fan Dirrekie spreek ik niet, dat is al soo lang geleje. Maar as die meid in de kiere hêt dat haar man laat thuis komt, neemt se de kuierlatte en dan sie je d’r soms niet fóór
280