beste opvattingen. Hij Hield urenlange conferenties met den architect, technici en werkbazen, keurde steensoorten, dakleien, tegels, sanitaire installaties. Soms kwam hij met revolutionneerende invallen voor den dag, die de vaklieden het hoofd deden schudden, doch waarvan ze naderhand erkenden, dat ze slechts weinig wijziging noodig hadden, om van groote waarde te zijn. En menigen avond hield hij samenkomst met een aantal intellectueelen, die hij in een voorloopigen raad van redactie had benoemd, ter bespreking van een specialen inhoud der krant. Wijl deze zich toch tot kringen zou wenden, die op verschillend geestelijk niveau stonden, wilde hij er, van begin af aan, naar streven, haar voor allen genietbaar te maken, zonder de minderwaardige effecten na te jagen, waar de meeste dagbladen op drijven.
De houding die de Partij tegen hem aannam, sterkte hem steeds meer in zijn neiging, de krant tot een machtig, geestelijk wapen tegen de uitwassen der moderne samenleving, waartoe hij de demagogische politieke partijen rekende, te maken. Het partijblad streefde er blijkbaar naar, hem èn bij het publiek in het algemeen èn bij de leden van het Verbond, in zoo slecht mogelijk licht te plaatsen en een scheuring in het Verbond te doen ontstaan. Daartoe wekte het de arbeiders op, oppo-sitie-clubs tegen Bouwers voorzitterschap te vormen.
Om dit tweeledig, tegenstrijdig, doel te bereiken, wendde de redactie al de rethoriek aan, die door de geestelijk-armen nog altijd als hoogere wijsheid wordt beschouwd; en ze bezigde alle namen en uitdrukkingen, die de burgerij had geleerd te verafschuwen. De éénen dag schold het partijblad Bouwer voor Lenin, Robespièrre en Nero en noemde het hem een moord-anarchist, die het er op aan legde het land in een chaos te dompelen en de dictatuur van het lompen-proletariaat te vestigen. En den anderen dag weer beschuldigde het hem, te heulen met burgerlijke leiders en de burgerlijke pers, met het doel, de socialistische beweging uit te roeien. Nu eens riep Sauerman, in een hoofdartikel, de burgerij op, met de Partij een eenheidsfront te stichten, tegen de heillooze plannen van den anti-christ Bouwer en dan weer, in een volgend, wendde hij zich tot alle richtingen onder de arbeiders, de communisten niet uitgezonderd. Achtereenvolgens noemde hij Bouwer een kapitalistenknecht, een cultuurverwoester, een Mussolini van de droevige figuur, een jezuïet, een gewetenlooze nihilist zonder verantwoordelijkheidsgevoel, een aarts-conservatief, een toekomst-idioot en een ondermijner van het prestige der veertig jaar oude Arbeidersbeweging.
Zoolang de nieuwe krant er niet was, kon Bouwer tegen deze campagne alleen in manifesten en vergaderingen strijden. De groote burgerlijke bladen namen slechts nu en dan een namens hem geschreven artikeltje van Branders op en ook was deze niet altijd scherp genoeg, om het partijblad naar behooren te pareeren. De redacties dier bladen sche-27J