Toen hij later de krant neerlegde, om naar bed te gaan, keek Lena hem vragend aan, als verwachtte ze, dat hij haar iets vertellen zou.
— Had je iets op je geweten? vroeg hij, schertsend.
— Nee, niets; of eigenlijk, wèl. Ik dacht aan dien armen jongen, dien Hellinga. Zou het waar zijn, dat hij zich te kort heeft gedaan om een meisje? Ze zeggen het.
— Wie zegt dat dan?
— Juffrouw Cornalijnslijper. Ze had gehoord, dat het was om een meisje, dat ook aan het Bureau was en jou achterna liep en van hèm niets weten wou. En dat zou hij zich zoo vreeselijk hebben aangetrokken.
— Och, laat die menschen babbelen. Het is veel te miserabel, om er nog allerlei praatjes over te verkoopen.
— Dat zei ik ook al. En dan, die meisjes van tegenwoordig. Ze zijn nogal waard, dat een man zich er druk om maakt. Lijken nèt jongens, in haar doen en laten. Niet dat ik zóó veel om dat geklets geef. Als je juffrouw Cornalijnslijper hoort vertellen, loopen ze allemaal de getrouwde mannen achterna. Dat moet aan dien Bond van haar man nog veel erger zijn. De hoofdzaak is, dat de mannen ze links laten liggen. Ik kan me ook niet voorstellen, dat mannen die een huishouden hebben, van zulke meisjes kunnen houden.
— Ze houden er ook niet van, antwoordde hij, eenvoudig.
Het ontsnapte zijn mond, zonder dat hij bedoelde het te zeggen; hij dacht het alleen. Maar toch bleef hij er op peinzen, toen zij allang sliep. En hoe langer hij over dat antwoord nadacht, des te natuurlijker kwam het hem voor. Hij voor zich was er nu zeker van, vond hij, dat hij niet van Mea hield, althans niet, op die wijze als zij wenschte dat hij zou doen. Hij hield van zijn werk, hij hield er van, de arbeiders, alle menschen, voort te drijven naar een doel, dat hun meer geluk zou geven en daar had hij, buiten zijn gezin, genoeg aan. Dat andere was meer een natuurlijke drang, die bij sommige menschen sterker kon uitbreken dan bij andere. Maar als hij werkelijk veel van Mea had gehouden, zou hij haar nu toch niet naar huis hebben gebracht, na al wat er voorgevallen was. En toch vond hij het zóó het beste. Hij voelde zich nu kip-lekker, weer in zijn eigen woning. Hij miste haar in het geheel niet, en verlangde volstrekt niet naar haar. Ze was heel lief en kon soms bizonder aardig zijn, maar het mocht niet zoo diep inwortelen dat ze zijn werk, in zijn gedachten, verdrong; dat moest altijd nummer één blijven. Daarom ook was het maar goed, dat die reis eindelijk ten eind was.
Den volgenden ochtend was hij al vroeg op het Bureau. Hij inspecteerde het werk op de teeken- en statistiek-kamer en werkte een stapel correspondentie en rapport-staten door. Toen Suze kwam, was hij ijverig aan den gang, alsof 'hij nooit weg was geweest.