deed hem weldadig aan, na de laatste, emotioneele dagen en den langen tocht, met de zenuw-overspannen Mea.
Wimpie was opgebleven. Hij rende zijn vader, met een hoera, tegemoet en sprong als een hondje tegen hem op.
— Laat vader nu eerst rustig eten, vermaande moeder hem.
— Moet ie maar niet zoolang wegblijven, protesteerde het kind.
— Vader blijft niet meer zoo lang achtereen weg, zei Bouwer, half lachend, half in ernst.
Het droevig eind van Hellinga en Mea’s overspannen toestand, hadden hem, gedurende de reis, meer bezig gehouden, dan hij het meisje had laten merken. Zijn vroegere vrees, dat een vrouw meer beslag op een man kan leggen, dan hij, met het oog op zijn werk, velen kon, was werkelijkheid geworden. Hij had zich overgegeven aan de bekoring die van Mea uitging en er geen rekening mee gehouden, dat een ander veel van haar hield. Daardoor had hij wellicht ook schuld aan Hellinga’s wanhoopsdaad, al was het hem een raadsel, hoe iemand er toe kwam, zich om zoo’n reden het leven te benemen. Om eenigszins die schuld te boeten en ook, om weer zijn volle vrijheid terug te bekomen, had hij zich daarom voorgenomen, voortaan meer dan tot nog toe in zijn eigen woning te verblijven. En nu hij de rust van zijn huis in zich opnam en Wimpie’s stemmetje hem op zijn tekortkomingen scheen te wijzen, werd dat voornemen sterker in hem.
Hij tilde het kind op zijn knie en hield het in zijn linkerarm omvat, terwijl hij at. En daarna bracht hij het naar zijn bedje en vertelde van drie groote honden en een lilliputter-dwerg, tot het in slaap viel.
— En, is er nog nieuws? vroeg hij, naar oude gewoonte.
Behagelijk strekte hij zich languit, in zijn ouden leunstoel, de voeten
op den rand van de vulkachel.
Lena zette theeboel op tafel.
Oost, West, thuis toch maar opperbest, moedertje, zei hij dan, tevreden om zich heen ziend.
Nu knikte ze hem vriendelijk toe, met haar bedaarden blik van niet-sensueele vrouw.
— Nieuws? Ja. Vader en moeder kwamen over, met de Kerstdagen. Maar, dat schreef ik je immers. Je moest de complimenten hebben.
— Dank je, zei hij, al weer half in gedachten. Een volgend jaar hoop ik met ouwejaar thuis te zijn. Anders niets voorgevallen? Ja, schenk maar een bakkie in. Krijg m’n tabakspot eens, Leen.
Hij dronk zijn kop achtereen leeg en stopte dan zorgvuldig zijn pijp. Zij ging met een mandje verstelgoed tegenover hem zitten.
— Juffrouw Cornalijnslijper is vanmiddag wel een paar uur hier geweest.
— Ken ik niet, nooit van gehoord.
269