Bob Bogaerts ging met tranen in de oogen de kamer uit. Dat hinderde hem. Welke reden had hij, om te grienen? Hellinga had zijn plaats ingenomen, aan het Verbond; niemand verwachtte dus dat hij zich diens krankzinnigen streek zou aantrekken. Integendeel, zou Hellinga daar alle redenen toe hebben gehad, als Bogaerts zich van kant had gemaakt. Maar dat deed hij niet, de smuigerd, dacht Kaufmann, niet zonder wrevel. Zeker bang dat een ander aardigheid zou krijgen in zijn mooie, jonge vrouw.
— Dat is een gevoelige slag, voor Bouwer, merkte hij aan.
Wendelaer keek op, een trek van pijnlijke verwondering om den
mond.
— Wat kan mij Bouwer schelen, antwoordde hij. Voor dien armen Frits zelf, vind ik het ontzettend. Bouwer zal wel een anderen secretaris vinden. Aan Frits moet ik denken, zoo eenvoudig, zoo nobel, zoo heel anders dan de meesten. Ik kende hem al zoo lang, al gingen we weinig met hem om. Ik was de eenige die tegen die waanzinnige verdenking jegens hem opkwam, ik heb hem altijd vertrouwd. Hij was een van onze weinige, echte idealisten, al liep hij er niet zoo mee te koop. De besten gaan heen en wie krijgen we er voor terug? Geestelijk uitvaagsel, van het soort als Van der Voorde. . . .
— Je hebt gelijk, ’t is vreeselijk jammer, maar nu het eenmaal gebeurd is, zal Bouwer er genoeg narigheid om krijgen. De heele wereld weet immers . . .
De deur werd opengestooten. Colter stormde naar binnen, het gelaat beschaduwd van schrik en vrees.
— Je hebt het gehoord Wendelaer en het is mijn schuld.. Ik heb hem vermoord! kreet hij, als uitzinnig. Iedereen wist het en alleen ik kon mijn mond niet houden.
Hij greep een stoel beet, viel er in. Maar hij was te opgewonden om te blijven zitten. Als door een automaat bewogen, sprong hij weer op. Nu eerst ontwaarde hij Kaufmann.
Jij óók hier? schreeuwde hij. Jij hebt zeker óók wroeging, jij hebt er ook schuld aan, jij méér dan ik. Als ik een boef ben, dan ben jij een ploert. Ja, ja, dat zijn we, dat zijn we! jammerde hij. Ik heb hem den doodsteek gegeven, had ik maar niets gezegd, niets. . . .
— Stil toch! riep Wendelaer, geschrokken. Drink eens, kalmeer je toch.
Hij schonk hem een glas water in. Colter dronk een slok, liet toen het glas uit zijn bevende hand vallen.
— Ik was verleden week bij hem. . om hem tegen Bouwer op te stoken. Om dat geval met Mea. En toen.... zei hij... . hij bedankte me... maar Kaufmann... jij... . had hem volkomen ingelicht. Dat zei hij en toen keek hij... . me zoo raar aan.... Straks begreep ik... .