Max ging dadelijk heen en werd bij Hellinga toegelaten, daar hij zei een vriend en collega te zijn. Stom van ontroering staarde hij op het bleek gelaat van den jongen man, die, om zijn oprechtheid en de onwankelbaarheid van zijn principes, zooveel tegenwerking had getroffen, niet het minst bij hen, die hem het meest hadden moeten waar-deeren. Hoe weinig hij Frits gekend had, wist hij toch wel, dat deze altijd gepoogd had, goed en nuttig te zijn, zonder te streven naar zelfverheffing, zonder zijn persoonlijk belang voorop te stellen.
Mannen van den gemeentelijken dienst hadden hem op bed gelegd en zijn gelaat afgewasschen. Max zag nog bloed vloeien uit het kleine gaatje, waardoor het leven van Frits ontsnapt was. Een dunne kogel, door dit kleine gaatje zijn hersenen binnen gedrongen, was voldoende geweest, om van een intelligent, voor de Menschheid warm voelend, wezen, een koud, bewegenloos stoffelijk iets te maken.
Door dat kleine gaatje, was zijn leven verdwenen. En waarom? Suze wist het, hij wist het ook, iedereeen in de Partij en het Verbond, die hem kende, wist iets af, van zijn tragedie. Mea, die zich met hem verloofd had, zonder, naar het bleek, iets om hem te geven, bedroog hem met Bouwer. Met Bouwer, nog wel, den leider wien niemand, die hem leerde kennen, zijn genegenheid onthouden kon.
Max dacht opeens aan Landauer. Ook die had zich gedood, zich ten pletter laten vallen, uit liefde voor Olga, of uit smart om haar vree-selijk eind. Hij was toen bijna in zijn onmiddellijke nabijheid geweest en nu stond hij wéér aan het bed van een droomer. Want droomers waren het allen, allen die om zoo’n reden
Hij schrok van eigen gedachtengang. En hij dan, hij zelf? Hoe ernstig, hoe dringend had Coen hem niet gewaarschuwd, en toch had hij Gertrud meegenomen, naar Holland, toch had hij haar getrouwd. En dat nog wel, niettegenstaande hij aan heel haar gedrag had kunnen merken, hoe weinig Gertrud om hem gaf. Wat zou Coen er wel van zeggen, als hij hem plotseling opzocht? En Mary? Misschien wisten ze het trouwens al. Maar, was het eigenlijk wel zijn eigen schuld? Hadden de omstandigheden hem niet dat huwelijk, die vrouw opgedrongen? Het Lot, dat den mensch was toegewezen, moest wel onveranderlijk en onontkoombaar zijn. Dat zag hij nu ook weer aan Hellinga, arme kerel.
Hij ging naar het Bureau terug, om het adres van zijn familie op te zoeken. In de archieven van het Verbond stond alles over allen opge-teekend.
Hoewel hij haar met korten groet voorbij liep, ging Suze hem dadelijk achterna, in het hoofdkantoor.
— Was het ? vroeg ze, met gesmoorde stem.
Hij knikte, stug, zwijgend.
263