ander opvatte. En daar Willem, zoo ver zij kon nagaan, niet alleen geen amourette aan de hand had, maar zelfs iederen omgang, die niet in direct verband met zijn plannen stond, met vrouwen vermeed, was ze er zeker van, dat hij nog van haar hield, en van haar alléén. Ze hield zich voor, dat hij zich Colters hatelijkheden sterker had aangetrokken, dan hij tegenover haar bekennen wou en dat versterkte haar haat tegen den gewezen bakker, dien ze vroeger zoo aardig vond. En ook veronderstellend, dat hij zijn liefde voor haar onderdrukte, uit vriendschapsgevoelens jegens Hellinga, verzinde zij steeds meer redenen, om aan dezen een even grooten hekel te krijgen, als aan den ander. Ze kreeg steeds grooter spijt, over haar verloving en verweet zichzelve ziekelijke zwakheid, omdat zij die slechts uit goedaardig medelijden met den droomer was aangegaan.
Echter schreef ze hem nu en dan een kort briefje, voornamelijk om te vernemen of Colter al gebabbeld had, of, dat hij uit zichzelf tot inzicht was gekomen. En hij schreef geregeld terug, hoewel niet uitvoeriger of minder zakelijk, dan zij aan hem. Doch dat verwonderde haar niet. Ze had hem nooit als romantischen geliefde gezien en daar ze heel haar gevoel op Bouwer had geconcentreerd, zou een toon van teeder-heid of aanhankelijkheid haar eerder hebben gehinderd.
Toen, tegen oudejaarsavond, onder den indruk van haar jeugdherinneringen, schreef ze hem, evenals aan haar moeder, een hartelijken brief, met vele lieve wenschen er in. Tegen haar verwachting, zond hij haar niet eveneens een en zelfs geen bericht van ontvangst. Vooral na de Nieuwjaarsrede van Bouwer, had ze gehoopt een vriendelijken brief van Frits te ontvangen, waarop ze had kunnen antwoorden met een schrijven, dat den toestand verduidelijkte, zonder hem te grieven. Bouwer had gesproken op een terrein in de mijnstreek, over Gemeenschapszin contra Partijpolitiek en een groot gemengd publiek had hem geestdriftig toegejuicht, alsof hij een heusche profeet was. Maar, nu hij haar niets schreef, kon ze niet in dien zin antwoorden.
Willem reisde weer met haar naar Arnhem, waar zij moest blijven terwille van de post, die verwacht werd en om als tusschenpersoon te dienen, voor de propagandisten, in plaats van hem. Hijzelf ging met den eerstvolgenden trein naar Berlijn.
Ze telegrafeerde haar nieuw adres naar Amsterdam en dra kwam, als gewoonlijk, een stroom van poststukken binnen. Er waren bladen bij, met vleiende verslagen van Bouwers Nieuwjaarsrede en exemplaren van het partijblad, waarin hij heftig aangevallen werd. Ook kwamen brieven van Verbonds- en andere bestuurders, waarin gezinspeeld werd op een scheuring in het Verbond. Een, door de geheele Arbeidersbeweging geacht, partijbestuurder, schreef Bouwer als vriend en socialist, dat hij tot inzicht moest komen en een verzoening tot stand brengen, tusschen 2J8