Nu het voor het publiek duidelijk werd, dat er een nieuw dagblad zou komen, boden steeds meer journalisten en intellectueelen hun medewerking aan. Om de paar dagen zönd Suze hem een lijstje namen toe. Te midden der drukte van vergaderen, artikelen dicteeren en confereeren, vond hij nog tijd, over enkelen der journalisten die zich aanboden te spreken met intellectueelen, met welke hij in aanraking kwam. Uit die gesprekken bleek hem, dat het Partijbestuur, door zijn benepen, dogmatisch drijven, zeer veel goede publicisten van de arbeiders had vervreemd. Bovendien leerde hij inzien, dat de redactie van het partijblad, uit domheid en stijfhoofdigheid, belangrijke onderwerpen en vraagstukken stelselmatig uit de krant had geweerd en over andere weer had laten schrijven door lieden, die er niet in het minst toe aangewezen waren. Zijn ervaringen liet hij door den jongen journalist in leesbaren stijl opschrijven en door dezen in het dagblad plaatsen. De redactie van het partijblad antwoordde op die artikelen met beleedigingen en insinuaties, waar zelfs de eenvoudige arbeiders, op Bouwers vergaderingen, niets over te spreken waren.
Weken waren nu al verloopen, sinds hij zoo plotseling Amsterdam verlaten had. En het gesprek met Colter was, door het vele wat hij er na had meegemaakt, vrijwel vervaagd, in zijn brein. Echter, hoewel hij er niet met Mea over sprak, dacht hij er nu en dan aan, dat hij Hellinga weer spoedig ontmoeten zou, èn, vond hij dat een corvee, die hij liefst zoo lang mogelijk uitstelde. Als Colter toch zijn dreigement had verwezenlijkt en Frits zijn kijk op die verloving kenbaar gemaakt, dan was het niet uitgesloten, dat deze thans zeer onvriendschappelijke gedachten ten opzichte van zijn leider koesterde.
Nu hij zich als het ware onder had gedompeld in bezigheden, was hij nog maar weinig in Mea’s gezelschap. Soms vertoefden ze zelfs in verschillende plaatsen, als hij vooruitreisde, om te spreken en zij achterbleef, om post af te wachten en te beantwoorden. En de meeste keeren, als ze tezamen waren, besprak hij veel minder dan gewoonlijk met haar, en dan nog slechts zakelijke aangelegenheden. Hij scheen haar nog slechts en uitsluitend als zijn secretaresse te zien.
Mea meende dat hij haar alleen meed, om wat Colter had gezegd en voelde een feilen haat tegen dezen in zich ontluiken. Voor Hellinga begon ze iets als afkeer te voelen, uit wraak, omdat de gedachte aan hem, Bouwer deed verwijderen van haar. Vele mannen hadden reeds beweerd haar lief te hebben en méér nog hadden getoond dat ze haar mooi en begeerlijk vonden. Dat iemand die eenmaal van haar gehouden had, dat ééns niet meer zou doen, zonder een voor haar in het oog loopende omstandigheid, achtte ze volstrekt uitgesloten. Het eindigen van een verhouding tusschen een man en een vrouw, was in haar gedachten alleen mogelijk, als een van beiden een groote liefde voor een
17