Colter verbleekte, beet zich van ergernis op de lip. Dan trok een roode gloed over zijn gezicht.
— Vijandschap, dus? Best, dan moet het maar hard tegen hard. Maar tegen jou, staat de heele Partij achter me.
— Je vergist je, je bedoelt den kapitalist Breebaart. En, zelfs hij niet. Van deze week nog worden drie directeuren van gemeentebedrijven gearresteerd, wegens knoeierijen met leveranties. Beeld je maar niet in, dat de Dikke jou de hand boven het hoofd zal houden, als het er om gaat, zijn eigen burgerlijk fatsoen te redden. En nou opgehoepeld naar Amsterdam.
Colter had zwijgend naar hem geluisterd. Nu strekte hij dreigend de hand uit.
— Als het onweert, kan de bliksem op verschillende plaatsen tegelijk inslaan, vergeet dat niet. Morgen spreek ik Hellinga.
Woedend sloeg hij de deur achter zich toe.
Mea, op den divan gezeten, keek hem met half-versuften blik na.
— Hij gaat Frits tegen ons opstoken, mompelde ze. Wat moeten we doen, Willem?
De leider liep met groote stappen de kamer door, bleef voor haar staan. Hij tilde haar kin op.
— Aan zijn geknoei heb ik maling, meisje. Maar wat me hindert, is de vraag of hij de waarheid gesproken heeft. Mea, vind jij óók, dat we gemeen hebben gehandeld, tegenover Frits?
Zijn groote blauwe oogen staarden vragend, als bij een kind, op haar gezicht. Hij had destijds haar liefde aanvaard, zooals zij die gegeven had, zonder overweging, zonder om zich te zien. Hij had van haar gehouden, omdat ze lief was en ze hem een anderen kant van het leven had doen zien, dan hij ooit bij zijn vrouw gekend had. En onder den invloed van haar kameraadschap, haar gezelschap, had hij zijn werklust voelen toenemen, zijn kijk op de dingen voelen verscherpen. Daarom vooral had hij hun verhouding als iets vanzelfsprekends beschouwd. Nu, onder den indruk van wat Colter had gezegd, drong voor het eerst tot hem door, dat hun verhouding er niét slechts een was tusschen hem en haar. Als zijn vrouw hem dan ook al geheel vrij liet, was er toch ook nog een andere man, Mea’s verloofde. En die man was nog wel een vriend van hem.
— Van Frits hou ik niet en van jou wél, antwoordde Mea.
Ze streelde haar armen om zijn hals en drukte zijn hoofd tegen zich aan. Hij maakte zich zachtjes uit haar omarming los.
— ’t Is een beroerde geschiedenis, mompelde hij. Misschien hadden we er nooit mee mogen beginnen. Ik geloof dat het maar het beste is, dat je zoo gauw mogelijk naar Amsterdam gaat.
— Alleen? vroeg ze, verschrikt. En jij dan?
*55