uit, zei hij. Maar hoè noem je het dan, als een getrouwde vrouw of een verloofd meisje voortdurend met een ander. . . . ?
— Dat lieg je! kreet Mea. Frits was nooit écht mijn verloofde. Die verloving was maar schijn, om hem tegen dat zootje van het Partijbestuur te beschermen.
Nu haalde Colter minachtend de schouders op, maar Bouwer liet zwaar de hand op één vallen. Colter bukte zich noodgedwongen en richtte zich niet zonder moeite weer op.
— Mea heeft gelijk, zei de leider dan, ietwat ongerust. Ze kan Frits niet ontrouw zijn geweest, want hun verloving was niets dan een parade, een komedie.
Colter maakte zich vrij van Bouwers zware hand en stapte toen, met aanmatigend gebaar, de kamer door, alsof hij zich heelemaal meester van het terrein voelde.
— De vraag is, of die verloving voor Frits óók maar een parade en een komedie is, zei hij dan, half ironisch, half in ernst. Daar is hij heelemaal niet de persoon naar, zoover ik hem ken. Zou je nu maar niet weer den sleutel in het slot steken? viel hij dan opeens luider uit. Déze komedie heeft mij al lang genoeg geduurd. Ik ga naar Amsterdam, een klacht tegen je indienen bij het Verbondsbestuur.
Bij dit dreigement vond Brouwer zijn glimlach terug. Hij bukte zich, raapte de sigaar, die Colter al weer had laten vallen, op en gaf hem die in de hand. Dan ontsloot hij de deur.
Colter smeet hem de sigaar na.
Hou dien stinkstok voor je! riep hij, geërgerd.
— Beleedig de sigaren van het Proletariaat niet, zei Bouwer. Wat voor klacht wou je tegen me indienen?
— Tegen den machtswaanzin, die uit je heele houding spreekt. Je optreden is er een staaltje van, hoe je houding tegenover het Proletariaat zal zijn, als we den verkiezingsstrijd winnen.
Hij smeet de deur open.
En als je ooit weer een aanvechting krijgt, om een preek te houden over trouw en andere deugden, kijk dan éérst in den spiegel. Dat heeft altijd zijn nut. Aju!
— Stop! riep Bouwer. Bedenk je wel, vóór je in Amsterdam allerlei praatjes tegen me gaat uitkramen. Het Proletariaat is daar niets op gesteld. En in het Verbond is er niemand anders baas, dan ik.
— Goed dat ik het uit je éigen mond hoor, antwoordde Colter, hoo-nend. Het Proletariaat heeft anders geen bazen noodig.
— Als vanavond de kranten uitkomen, ben je al voor de heele beweging gediskwalificeerd; hou daar rekening mee. En, als het gaat tus-schen jou en mij, ben ik er niet bang voor, aan wien zelfs je éigen bond de voorkeur geeft.
*54