gische leiders van den strevenden Socialistenbond nooit hadden kunnen overwinnen en oud-leden van de Partij, die na hun uittreden uit afkeer voor het dogmatisch en autoritair optreden van het Bestuur, zich voortdurend vrij hadden gehouden van eiken vereenigingsband. Zooals hij reeds vermoedde, volgden zij met belangstelling het verloop van zijn nieuwe actie.
— Dag, Mussolini! begroette een hem schertsend.
— Beter één Mussolini, dan honderd Kaufmanns, antwoordde hij, eveneens, lachend.
— Je doel leidt er dus werkelijk toe, den Staat tegenover en bóven de partijpolitiek te plaatsen? vroeg de ander dan, ernstig.
— Als dat de weg blijkt te zijn ... ja. Zoo’n verhouding is nog altijd redelijker, dan dat honderd partij-politiekjes zich stellen bóven en tégen den Staat. Voor honderd en meer kleine, zwakke, corrupte autocraatjes, verkies ik één inderdaad sterken autocraat.
— Zou jij dat durven ondernemen?
— Als het moét. ... ja, antwoordde Bouwer, op vasten toon.
De ander schudde waarschuwend het hoofd.
— Ik sympathiseer met je durf, misschien het meest omdat er romantiek en heroïek achter schuilt. Zoo zijn wij menschen eenmaal. Maar, als het spannen gaat, waag je er veel mee; misschien wel je hoofd. Ben je je daar wel van bewust?
— Misschien ook wel, de hoofden van anderen, viel Bouwer, overmoedig, uit. Je weet wat Nieuwenhuis altijd zei.
— „Men kan geen omelette maken, zonder eieren stuk te slaan,” nietwaar? Pas dan maar op, dat de anderen jouw omelette niet eten en jou aansprakelijk stellen voor het stukslaan der eieren.
—Geen nood, hoor. Ik zal de eerste niet zijn, die ze aanraakt. Voor-loopig is het doel er op gericht, een span kreupele, onproductieve, haantjes, die de wereld willen regeeren door voortdurend als bezetenen te kraaien, tot zwijgen te brengen. Tot ziens.
In den middag arriveerde hij, met Mea, in Groningen. Van Bouke van der Koog, die met Colter samenwerkte, vernam hij waar hij dezen kon vinden. De auto reed juist voor het hotel, toen Colter naar buiten kwam, een valies aan de hand.
— Hé, Willem, alweer op een snoepreisje? vroeg hij, vroolijk, of zocht je mij soms?
Bouwer knikte ironisch. Hij en Mea gingen met Colter terug, naar diens kamer. Willem trad het laatst binnen, draaide den sleutel om en stak hem in zijn zak. Colter, die Mea met een zwierig gebaar den eenigen gemakkelijken stoel aanwees, keerde zich verrast om.
— Niets aan het handje, zei Bouwer, op geruststellenden toon.
Hij ging breed-uit zitten en stak den andere zijn sigarenkoker toe.
250