Mea had ontbijt besteld voor drie personen, en het laten gereed zetten in de gezellige zitkamer, die aan het slaapvertrek grensde. Eerst toen wekte ze Bouwer.
Diep in den nacht waren ze in Leeuwarden aangekomen. Bouwer was meteen doorgereden naar het hotel waar Bart Koch logeerde, in de verwachting dat deze kamers voor hem besproken had. Spoedig waren hij en Mea in slaap gevallen, door en door vermoeid, van dien langen tocht, in de auto.
— Heb je Koch al gesproken? vroeg hij, dadelijk na zijn ochtend-groet.
— Nee, maar de kellner heeft hem gevraagd, of hij met ons komt ontbijten. Dat spaart meteen tijd uit.
— Verstandige meid, prees hij en beet in een broodje.
Er werd geklopt.
-Ja!
Bart Koch kwam binnen. Hij was wel zoo groot als Bouwer, doch zeer mager. Hij had veel ernstiger voorkomen, dan de leider en dweepzieke oogen, die aan Hellinga deden denken.
— Morgen!
Hij gaf eerst Bouwer de hand en daarna Mea, waarbij hij licht de schouders ophaalde, als vond hij het dwaas, haar hier te ontmoeten. Mea ontging dat niet en lachte even, waarop hij de wenkbrauwen fronste.
— Eerst een stukje eten, ik heb trek, zei Bouwer, hem zijn plaats aan wijzend.
Mea schonk thee in.
— Ik dacht dat je alleen zou komen, öf met Hellinga, begon Koch.
Hij wees de versche broodjes, die Mea hem aanbood, af en smeerde
zich een snee bruinbrood.
— Hellinga kan op het bureau niet gemist worden. Gaat het, buiten die kwestie dan, hier naar wensch?
— Ja-a, antwoordde hij aarzelend en blikte terloops naar Mea.
— Mea mag alles weten, zei Bouwer, haastig etend. Schenk mij maar in, vóór je dat water opgiet, meid. Logeert Colter ook hier?
247