maakt. In mijn oog kon Willem Bouwer niet falen, kon hij niet afwijken van den weg, dien hij als den rechten voor zich zag. Willem Bouwer kon alléén het goede, het groote; al het andere moest hem vreemd zijn, dacht ik, en langs hem heen gaan. Hij ging recht op het doel af, waar wij allen, ieder voor zich, nog weifelden en aarzelden. Allen tezamen waren wij niet zoo sterk, als hij alleen.
Nooit had in mij de geringste gedachte, die zinspeelde op laaghartigheid of gemeenheid, ten opzichte van hèm kunnen opkomen; voor andere gevoelens dan achting en toewijding, aan hem, was er geen plaats in mij.
Hij liep weer heen en weer, af en aan, schoof met kracht een fauteuil opzij, schokschouderde, stampte zwaar op den vloer. Donker glansden zijn oogen, toen hij haar aankeek.
Suze, ik weet niet of jij daar éven ontvankelijk voor bent als ik, maar als je ooit die machtige ontroering hebt ondergaan, bij het zien der aanbidding, die uit de kameraden tot hem opstijgt, als hij op het podium in een vergadering verschijnt, als jij óóit die felle warmte in je hebt voelen gloeien, als de massa, die domme en sluwe, die goede en valsche, die eerlijke en berekenende kameraden, hem in één ademtocht, met dat ééne woord toejuichen: Bouwer! Bouwer! als je dat gevoel kent, dan moet je ook weten, wat het voor mij zeggen wil, me geslagen, verraden te voelen, door hem, juist door hèm.
— Ik kan het begrijpen, Frits, zei het meisje zacht. Die ploert van een Kaufmann.
— Die ploert, zeg je? Als hij me niet had ingelicht, zou ik nu nog niet hebben geweten of begrepen, ik stommeling, die ik was, waartoe die reisjes dienden. En, dan had ik haar even vriendelijk ontvangen als altijd.
— En toch zeg ik, die ploert van een Kaufmann, herhaalde Suze, op een toon van stelligheid. Denk je soms, dat hij louter uit medegevoel met jou, zijn vuile taal hier is komen uitslaan? Hij haat Bouwer natuurlijk, omdat hij in hem den bestrijder ziet van zijn éigen streven, op kosten der arbeiders een weelderig leven te leiden. Hij zei immers al dadelijk dat hij niet op eigen gelegenheid kwam, voegde ze er, onlogisch, aan toe. Het Partijbestuur stuurde hem. Die troep, daar, haat Willem verschrikkelijk, omdat ze begrijpen, dat hij een eind gaat maken aan hun gehuichel, waar ze de massa door beheerschen. En omdat ze niet rechtstreeks tegen hem opgewassen zijn, probeeren ze het op zoo’n gluiperige manier. Voel je dan niet, Frits zie je het dan niet in? vroeg ze opeens met luider stem, alsof ze zelf plotseling tot klaarder licht kwam. Hun doel is, je van Bouwer los te rukken, vijandschap te verwekken tusschen jou en hem, om onze actie nadeel toe te brengen. Jij bent immers de rechterhand van Bouwer, jij bent immers zijn beste hulp.