je te bespionneeren, beeft ze je bewaakt, als een onvoorzichtig, naief kind, om te zorgen dat je je niet in nog grooter moeilijkheden bracht, door je onbeperkte oprechtheid.
Hij knikte zwijgend, herhaalde malen, maar zijn oogen verhelderden niet, door haar mededeeling. Voorzichtig maakte hij zijn arm vrij van haar hand en ging opnieuw heen en weer stappen. Suze keek hem na, tot haar blik zijn oogen trof. Zwijgend scheen ze hem te willen nopen, haar antwoord te geven. Hij haalde de schouders op, zuchtte.
— Wat doet het er eigenlijk toe, waarom ze het deed? Die heele geschiedenis van het Partijbestuur komt me zoo onwaarschijnlijk voor; maar dat wil niet zeggen dat ik jou niet geloof. Die troep is gek genoeg om élke dwaasheid uit te halen. De een is al krankzinniger van hoogmoed en zelfoverschatting, dan de ander. Wat voor mij het zwaarst weegt is, dat ze zich met mij verloofde, zonder dat ze van me hield, en die komedie volhield tot nu toe. Haar houding tegenover mij, was een openlijke vernedering.
Hij maakte het gebaar, als wilde hij aan zijn bureau gaan zitten werken; dan schoof hij nerveus zijn papieren opzij.
Ik kan het niet, ik kan niet meer. . het is te erg. Ik moét het er bij neer smijten.
Suze, die reeds hoop had, dat hij door werk tot rust zou komen, staarde hem verschrikt aan.
— Probeer het toch, Frits, zei ze. Ik laat je nu maar zoo lang alleen. Als je me weer noodig hebt, bel dan.
Ze liep naar de schuifdeur, doch was er ternauwernood, toen ze opschrok door een harden slag op het bureau.
— Verdoemd, ik kan niet... en ik wil niet meer! donderde Hel-linga. Ik verdom het, ik... . ik... .
Zijn stem sloeg over in een huilsnik en hij griende zijn woorden uit, als een gesarde jongen.
Om haar niet èn om hém niet. . ik kan hier niet blijven. Suze, ik
hield zooveel van haar. ... Ik analyseer m’n gevoelens nooit, maar ik geloof niet dat er één deugd was, of één bizondere eigenschap, die ik niét in haar zag. En hém, hem. . . Sinds Nieuwenhuis er niet meer was, heb ik niét meer in een man kunnen geloo-ven, tot ik Bouwer ontmoette en met hem werkte, ’t Is gek, ik schaam me er voor, maar jou moet ik het zeggen, ik kan het niet verzwijgen, ik hield van hém net zooveel als van Mea, maar anders; als een broer, mijn vader, een halfgod, als een van die onfeilbare priesters, waar primitieve volken zoo geloovend tot kunnen opzien. Suze, van dien man hou ik, zooals ik van de zon hou, omdat hij me toescheen, een lichtbaken in dien oceaan van corruptie, een rots in dien modderpoel van eigenbaat te zijn, die dat zootje partijschoften van het Socialisme heeft ge-
244