hij Kaufmann aan, lang, tot zijn oogen hun vastheid verloren en den blik kregen van een geslagen hond, van een, in gevangenis gebroken, dier uit de wildernis.
Een vreemd gevoel welde in Kaufmann op. De ongekende gewaarwording vervulde hem, dat hijzelf daar zat, op Hellinga’s plaats, nu jaren geleden; en, dat iets, een man, een vrouw, een Noodlot, hem tegemoet kwam, met woorden, met feiten, met ellende. Hijzelf zat daar, leed daar, en hij voelde iets in zich wroeten, bijten, verscheuren. Hijzelf zat daar te wachten, tot het zwaarste blok op zijn hoofd zou storten, om hem geheel te verpletteren. Een vochtig waas bedauwde zijn oogen. Een prop zette zich in zijn keel vast.
— Domme kerel, zei hij aangedaan, waarom durf je de werkelijkheid niet in het gezicht te zien? Waarom knijp je de oogen dicht, als een struisvogel en geloof je dat het Noodlot je dan voorbij zal gaan? Weet je dan nog zóó weinig van de vrouwen af, is het jonge meisje je dan nog zóó vreemd en veraf, dat je niet kan inzien, dat jij niet dè man bent voor Mooie Mea? Zie in je binnenste; wélke overeenkomst heb je met haar? Waarin lijken jullie op elkaar? Wat is er dan in de wereld, dat jullie beiden tot elkaar kan brengen en verbinden?
En, denk maar eens na, waarom zou zij er, van haar kant, zoo gesteld op zijn, altijd met Bouwer samen te zijn, waarom zou zij er zoo naar hunkeren, met hem op reis te gaan, als ze niet véél van hém hield, als ze niet tien maal meer om hém gaf dan om jou? Domme, goeie kerel, heeft het leven je dan nog niet geleerd, dat de vrouw, de móóie vrouw, maling heeft aan den werkzamen, in stilte ijverenden man, zelfs al is hij een genie? Een vrouw, zéker een vrouw als Mea, eischt in den man, eischt voor zichzelve op, wat in haar oogen het hoogst is: het uiterlijk, het publiek succes.
Daarom hangt zij met heel haar wezen aan hém, ging hij voort, als doceerde hij de psychologie van de vrouw. Aan Bouwer, aan den man met de bulderende stem, den man die de duizenden beheerscht en in bedwang houdt, door den machtigen indruk die van zijn sterk lichaam uitgaat. Maar dat is immers geen slechtheid, geen valschheid, geen verraad van Mea; hierin volgt ze slechts haar roeping van vrouw. Haar kun je niet verwijten, dat ze zich laat leiden door het oudste instinct in de vrouw, zich bij voorkeur te geven aan den sterksten man. Maar hij, je vriend, je leider, dien je vertrouwde, dien je hielp met heel je wil, je energie en kunnen, dien je diende met je idealisme, met je geloof aan en je liefde vóór het Socialisme, dié vriend is je vijand, je érgste vijand; want, hij heeft je ontnomen wat je het liefst in de wereld was.
Deze laatste woorden sprak hij op dramatischen toon; zijn stem sloeg over, kreeg een tragischen klank. Nauwelijks zweeg hij, of Suze, die ze gehoord had, rukte de schuifdeur open en stapte woedend op hem toe.
241
16