maar, daarvoor was toch niet zoo’n ingewikkelde voorbereiding noo-dig. Ze geloofde dan ook niet, dat Bouwer inderdaad zoo’n overwegend belang stelde, in den uitslag der Verkiezingen. Deze, veronderstelde ze, waren hem eerder middel dan doel. Maar, wat was dat doel dan?
Evenals bijna allen die met hem in aanraking kwamen, voelde ze voor den leider een ongewone vereering, om zijn kracht, zijn energie en zijn durf. Maar, dat wist ze wel zeker van zichzelve, haar wezen van vrouw stond daar buiten. Als vrouw tegenover een man babbelde ze liever met Max, dan dat ze luisterde naar Bouwer’s soms spitsvondige en dan weer kinderlijke opmerkingen. Maar toch juist om dat kinderlijke in den grooten, sterken man, bewonderde ze zijn wil en zijn streven, zonder den eerste geheel te kunnen doorgronden, of het andere te kunnen volgen.
Bouwer was voor haar, evenals voor de velen, BOUWER. Ze volgde, gehoorzaamde, eerde hem, zooals de anderen deden. En wellicht, dacht ze, was Hellinge wel de eenige onder allen die alles wist, wat Bouwer bezielde, die volkomen op de hoogte was, van wat hij voorhad.
En dat was haar nu juist een raadsel; waarom èn uitsluitend juist Hellinga, de verloofde van Mea? Want, nog steeds waren ze verloofd, hoewel ze blijkbaar minder onderling vertrouwen uitwisselden dan twee andere, elkaar overigens onverschillige, collega’s op hetzelfde kantoor.
— Waarom zeg je nu niets meer? vroeg hij. Waar denk je aan?
— Aan alles en niets, antwoordde ze, glimlachend. Wat is het hier stil, vandaag. Komt Mea niet?
Hellinga deed een diepen haal aan zijn pijp en keek haar als hulpeloos aan. Zij dacht dus ook aan Mea, voer er door zijn brein.
-p Ze is gisteravond met Willem meegegaan, antwoordde hij dan, stil.' Hij wou het niet hebben, maar zij drong er zoo op aan. Toen vond ik het ook maar beter dat ze meeging.
— Waarom? vroeg Suze, onbevangen.
Verwondering doordrong haar wezen. Ze had veel romans gelezen en vooral die verdorven, overspannen werken, welke geïnspireerd waren op, zooals die schrijvers dat noemden, het „mysterie der vrouw”. In haar eigen wezen had ze nog nooit eenig mysterie ontdekt en evenmin bij eenig andere werkende en denkende vrouw. Daarom had ze er altijd de schouders om opgehaald. Maar, vroeg ze zich af, stond ze integendeel nü niet voor een raadsel der mannenziel?
Bouwer, hun robuste, loyale makker en leider, bedroog zijn vriend nu al geruimen tijd met diens verloofde en toch scheen hij het onwaardige van zijn gedrag maar niet in te zien. En Hellinga, die in de Beweging bekend stond om zijn onverdachte eerlijkheid en idealistische levensbeschouwing, die dit moést inzien, bemerkte er blijkbaar niets van. Hij
*33