— Ik kan er niets aan doen, Frits, ik moét met hem mee. En als ik niet bij hem in de auto mag, ga ik hem in een taxi achterna. Denk je dat ik hem moederziel alleen zoo ver laat gaan? Weet jij wat ze met hem voor hebben?
Bouwer lachte om haar drift en haalde dan de schouders op. Mea kuste haar verloofde op de wang.
— Neem haar mee, Willem, zei deze dan. Als je niet wilt hebben dat ik met je mee ga, laat zij dan tenminste bij je zijn. Ze is het liefste dat ik heb, vervolgde hij zachter, en nu voel ik me even gerust, als wanneer ik zelf bij je zou zijn. Toe, neem haar maar mee.
Hij legde den arm om haar schouders en kuste haar teeder op de wang.
— Dag Frits! riep het meisje opgewekt en liep reeds voor Bouwer uit.
Hellinga bracht hen tot aan de deur en bleef toen staan, tot hij den
hoorn van de Verbonds-auto hoorde.
In den wagen drukte Mea zich teeder tegen haar geliefde aan.
— Ik had je nóóit alleen laten weggaan, fluisterde zij. Ik kan geen dag meer zonder je, vergeet dat niet.
Tien minuten later belde Suze Hellinga uit zijn gepeins op.
— Frits, hier is een heer Berends, om Bouwer te spreken. Komt hij spoedig terug, of kun jij het waarnemen?
— Maar even hier komen, antwoordde hij, een beetje versuft.
Een vrij jonge man kwam binnen. Hij was ongewoon mager en zijn gezicht scheen geheel bloedloos te zijn.
— Ik ben Giel Berends, stelde hij zich voor. De heer Bouwer had me een uitnoodiging voor een conferentie gezonden, omstreeks dezen tijd. Weet U ook niet of hij gauw terug komt.
— ’t Is jammer, Bouwer moest plotseling de stad uit. U kwam over medewerking aan ons dagblad praten, nietwaar? Ja, dat behandelt hij uitsluitend zelf. Zullen we dan maar af spreken dat hij U een bericht zendt, zoodra hij terug is? Misschien kunt U dan nog eens aankomen?
— Kunnen ja, maar willen, néé, antwoordde Berends. Misschien wil Bouwer eens bij mij aankomen, als hij weer een uur vrij heeft. Mogelijk treft hij dan wel menschen aan, die de moeite waard zijn, er kennis mee te maken. Zeg hem dat maar. Dag!
— Dag mijnheer Berends, zei Hellinga, die een droefgeestigen lach niet onderdrukken kon. Ik zal hem de boodschap overbrengen.
Toen Berends weg was dreven zijn gedachten weer heen, naar het meisje dat, dra in donkeren nacht, voortsnelde in den wagen, met den man dien zij en hij vereerden als den brenger van een nieuwe waarheid. En, voor het eerst bekroop hem ongerustheid, dat haar iets overkomen mocht, hoewel hij zich niet kon voorstellen, wat. Maar dat gevoel liet hem niet vrij en toen was het hem, of haar kus van daarstraks, een afscheid had beteekend voor altijd.
230