— Kerel, gaat na je nest, grauwde Jans Gerrit toe. Je dranklucht slaat me op het hart.
— Gerrit, maak ’t kort, se gane losse! joelde Schele Ko, in het trapportaal.
— Je mooie friende roepe je, laat je maar weer fernaggele . .
— Op wie is dat gemunt? vroeg hij, verontwaardigd. Ik laat me eige niet fernaggele, bin ik feuls te link foor.
— Jij link, smaalde tante Jans. Was je maar link . . .
Nu hoorde hij het zelf; zijn eigen vrouw twijfelde aan zijn linkheid. Een rood schemer van woede trok langs zijn oogen. Zijn vuist schoot uit en raakte haar, zijwaarts den kin. Tante Jans gaf een schreeuw en wierp hem een volle kop koffie na. Toen greep ze den ketel.
— Kerel, dufel op, hijgde ze, of je krijgt ’m pardoes in je smoel.
Rugwaarts loopend deinsde hij terug, de oogen angstig op den dreigenden ketel gericht. Zijn woede-vlaag was al weer voorbij. Nu beet reeds het berouw in hem, dat hij tante Jans geslagen had. Na zijn laatste dronkenschap had hij zich nog wel zoo stellig voorgenomen, dat voortaan te laten. Hij trok de deur open en keek haar nog eens, schaapachtig, aan. Ze duwde hem het portaal op en sloot de deur achter hem.
— Gerrit, maak af, anders fergok je de premie, mit al je linkheid! schreeuwde Schele Ko.
De premie, dat was waar. Als hij de schade voor de verzekering-maatschappij wist te beperken, stond er een goede belooning voor. Ja, die zou hij nu eens binnenhalen, dan zou tante Jans eens zien, öf hij link was.
Hij stormde de trap af en holde, tusschen zijn vrienden in, naar de Prinsengracht. Daar lag inderdaad een aardappelschuit gekanteld. De eigenaar, een groentenwinkelier uit de Anjeliersstraat, stond er, pruimend en spuwend, naar te kijken.
— Ha Hein! sprak Gerrit hem aan. Sal ik ’m maar eens losse?
— Mot jij wete. Ik bin gedekt, ferder gaat ’t de assurantie an. As jij wilt riskeere dat se je foor de goksie late werreke, ga je gooi.
— Daar bin ik feuls te link foor, stelde Gerrit hem gerust.
— Ja, ja, laat Linke Gerrit de skuit maar losse! schreeuwden Schele Ko, Manke Dries, Toon de Waterlaars en nog een stuk of vijf baliekluivers.
Gerrit stroopte zijn mouwen op en spuwde in zijn handen.
— Wie helpt ’r een handje? vroeg hij, op den toon van een ploegbaas. Tante Jans hêt nog een beetje mollem. Ik betaal een achterwiel per dag.
Onder aanmoedigend gejuich der anderen sprong hij aan boord en gleed uit. Schele Koo en Lou van der Neut sprongen hem na en kwamen boven op hem terecht. Het duurde wel vijf minuten, voor Gerrit onder
223