de dood in rooke, as d’r een woord jökkes bij is. Manke, wat hêt se gesegd?
Verontwaardigd greep hij zijn zakje tabak en werkte een handvol achter zijn wang, waardoor deze onnatuurlijk opbolde.
— Gerrit, niet om je frou te fermassere, begon de Manke. Se hêt gesegd dat, as jij link bint, dan was sij alsoolief so stom as een farreke. Binne d’r eigeste woorde. Hêt se woord foor woord gesegd, of se mag geen gesond uur meer belefe. Man, as je ons niet gelooft, ga dan as een kerel na huis en laat se je ’t in je eige bakkes segge.
Gerrit moést het nu wel gelooven en dat stemde hem droevig. Zoo lang hij zich herinneren kon, had een ieder hem altijd link genoemd. Voor allen, zijn bazen, zijn maats, zijn familie en buurtgenooten, was hij altijd Linke Gerrit geweest en zelfs stond hij zoo bekend in zijn vak-vereeniging en in de Partij. En nu had zijn vrouw openbaar bekend gemaakt, dat ze niet in zijn linkheid geloofde.
Hij schudde weemoedig het hoofd.
— Gaan mee, zei hij resoluut, sal ik d’r een daai foor d’r test gefe. Nee, eerst de skuit losse.
— Die skuit loopt niet weg, die legt fast genogt, betoogde Schele Ko. Toon de Waterlaars en Swarte Sjorsie stane an de wal, dat d’r niemand s'n kiese an uitsteekt. F’ruit, éérst na tante Jans.
Gerrit liep op een drafje naar huis en klom schreeuwend de trap op. Goedig en sentimenteel, liet hij zich gewoonlijk veel welgevallen en bijna alles zeggen. Maar, dat tante Jans, zijn eigen vrouw, aan zijn linkheid twijfelde, wond hem sterker op dan een kan jenever had gedaan. Van drank had hij niet zoo dronken kunnen zijn, als door deze belee-diging, zijn buurteer aangedaan.
Hij schopte de deur open en stortte onder een kreet de kamer binnen.
— Wié is d’r hier soo link as de staart fan een dooie kat? schreeuwde hij tante Jans, die met Gertrud zat te babbelen, toe.
— Man, swijg stil, je hêt ’m om, antwoordde ze, verachtelijk. Gaan jij maar na bofe, Gert, zei ze en wees naar de deur.
Ook Gertrud wist voor dit vreemd gedrag van Gerrit maar één uitlegging; hij was dronken. En voor beschonken mannen was ze bang, evenals haar moeder. Als haar vader dronken thuis kwam, liep haar moeder liever in den nacht de kolonie op en neer, van Laube tot Laube, dan met hem te redetwisten. En toch stond haar vader bekend als de zachtaardigste werkman van Charlottenburg.
Iets was haar in het gedrag van Gerrit onverklaarbaar. Hoe was het hem gelukt zich in dat korte poosje dat hij op straat was, zich zóó vol te drinken. Maar ze dacht er niet verder over na, gleed schichtig de kamer uit en ging naar die van Suze.
— Jans schreeft weer, boos wees, riep Dirkje haar tegemoet.
222