— Laat mij maar gaan; ik heb genoeg pijlen op mijn boog. Eerst Hellinga. . . .
— Ik begrijp je maar steeds niet. Wat wil je toch van Hellinga?
— Je hoéft me ook niet te begrijpen. Nu, ik loop ook even rond. In een kwartier ben ik terug.
Hij liep naar een andere afdeeling en zakte met de lift een verdieping lager. Voor de deur van de hoofdredactie bleef hij een oogenblik weifelend staan. Even greep hij den kruk vast, doch liet dien plotseling weer los. Hij ging liever niet naar binnen. Toen daalde hij, naar de drukkerij.
Averling en Goudeket waren er. Ze keken naar het wonderlijk bedrijf van de rotatiepers, het snel af rollen der papierrollen, het wegvliegen der gevouwen bladen. Boutelje stond in de zetterij tegen den chef te praten over een mooien boom, in Oslo, die, volgens een krantenbericht, door den laatsten storm was omver gewaaid.
— Ééns zal het proletariaat zoo ontwikkeld zijn, dat het zal eischen dat omgewaaide boomen opnieuw zullen worden geplant, voorspelde hij.
De chef haalde onverschillig de schouders op, doch keek met belangstelling naar Boutelje’s gouden sigarenétui, waar hij een sigaar uit haalde. De partijvoorzitter presenteerde hem er echter geen. Toen Boutelje over een mooien boom in Paramaribo begon te praten, liet hij hem staan en ging aan zijn werk. Kaufmann kwam nu aan, doch ook deze had geen belangstelling voor mooie boomen. Hij vroeg Boutelje’s oordeel over Bouwers actie.
— Omhakken, als een vergiftige paddestoel, antwoordde de partijvoorzitter kwaadaardig.
Kaufmann wilde zich jegens zijn medebestuurders nog niet nader uitlaten aangaande zijn plan, waarmee hij zich voorstelde Bouwer onschadelijk te maken. Tijdens zijn gesprek met Wendelaer en onder zijn omzwerven in het gebouw had hij een inval gekregen, die hem te fantastisch leek, om hem voor een nuchter debat in te leiden. Ook gaf hij er de voorkeur aan, geheel op eigen gelegenheid te werken, om niet uitgelachen te worden, indien hem iets mislukte.
Nu werd er eenige uren beraadslaagd over een plan de campagne, dat geheel tegen Bouwer was gericht.
Gertrud stapte reeds op de Prinsengracht uit de huur-auto en liep snel de Lindengracht af. Sinds ze in die buurt woonde had ze genoeg kijk op de menschen, aldaar, gekregen, om in te zien dat dezen haar er eerder om bespotten dan bewonderen zouden, als ze in den ochtend in een auto tot voor haar deur reed. Dat was anders dan ze in Berlijn gewoon was. Toen ze in het trapportaal van Van Seventer stond, was ze reeds zoodanig onder de sneeuw, dat ze zich duchtig moest afslaan.
216