Met kracht onderdrukte hij zijn gedachten. Hij bood Wendelaer een sigaar aan en stak er zelf een op.
— Nu hebben we ons, een poos geleden, met z’n allen zenuwachtig gemaakt om het feit, dat Hellinga een paar communistische vrienden had, zei hij dan. Als één van ons op de gedachte was gekomen, dien Bouwer bijtijds een dosis rattekruid toe te dienen, zouden we vrij wat ■verstandiger zijn geweest. Want hij is gevaarlijker, voor de Partij, dan tien Hellinga’s met het heele Communisme.
Wendelaer schrok.
— Je meent dat natuurlijk niet, maar zoo iets moest men zelfs niet zeggen, antwoordde hij. Bouwer heb ik altijd als een flinken, eerlijken kerel gekend.
— Een streber, ja.
— Dat zijn we allemaal, tot onze schande, zei de secretaris, zacht. De mooiste en beste tijd, voor de Beweging, was het in het begin, toen we ons onbaatzuchtig aan het Socialisme gaven en er in onze vrije uren voor werkten. Toen wisten we niets van corruptie en voor strebers was bij ons geen plaats. Maar, mét de éérste bezoldigde betrekking is de streberij in de Partij gekomen. Misschien moést het wel zoo loopen, waarschijnlijk is dat het noodlot van élke cultuurbeweging. Ik, wat mij betreft, als ik zekerheid had dat Bouwers voornaamste doel was de strebers er uit te dringen en de corruptie uit te roeien, dan stak ik hem al dadelijk de hand toe. Ik ben nog niet zoo verworden en ik voel me nog niet te oud om weer opnieuw te beginnen. Ik wil wel, overdag, voor mijn brood werken, in een betrekking en ’s avonds voor mijn ideaal. Het is het nog altijd waard. Mij wél.
Kaufmann voelde zich wonderlijk warm worden. Lang geleden had hij ook wel aandoeningen gevoeld, die hem deden spreken als Wendelaer nu zoo trouwhartig deed. Alleen, met dit verschil, hij had nooit voor zijn onderhoud gezorgd en er nooit voor hoeven te werken. Tot aan zijn eerste huwelijk had zijn vader hem onderhouden en bij zijn scheiding had hij een bedrag weten te bedingen, waar hij onbekrompen van leven kon. Buiten de renten van zijn vermogen verdiende hij, door zijn verschillende funkties in en door de Partij, meer dan twintig duizend gulden per jaar.
— Het is heel mooi, wat je daar zegt, zei hij, zijns ondanks een weinig ontroerd, maar die tijden zijn nu eenmaal voorbij. Als wij onze baantjes opgeven, komen er voor élk van ons, tien strebers op af. En nu geloof jij nog wel dat het in Bouwers bedoeling ligt ons allen aan den dijk te zetten en broodeloos te maken. Dan moet het toch een infaam-slechte kerel zijn. Wacht maar....
— Wat, wacht maar?
215