— Zóó erg is het dus wel? vroeg Wendelaer, droevig. En ik ben nu al vijftien jaar partij-secretaris en verbeeldde me alles te weten wat er omging. O ja, ken jij Colter goed?
— Van den Bakkersbond, lid van den Gemeenteraad. Ja. Oók zoo’n brok gek, maar meer van de ongevaarlijke soort. Nee, die doet niets, want de Dikke heeft hem aan ’t touwtje. Verleden jaar is ie gesnapt wegens knoeierijen met gemeente-leveranties en toen is Breebaart voor hem ingesprongen.
— Dat bewijst dan al weer, wat een merkwaardigen kijk Bouwer op de menschen heeft. Die vent schijnt alles te weten en iédereen te kennen. Colter schrijft me dat Bouwer hem de Noordelijke Provinciën heeft ingestuurd, maar hem niet schijnt te vertrouwen. Hij heeft Bart Koch als adjudant meegekregen, maar die schijnt zoo’n beetje detective te spelen. Zijn vergaderingen-rooster loopt over Harlingen, Franeker, Leeuwarden, Bolsward, Sneek, Heereveen, Assen, Winschoten, Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Dokkum, Veendam en de Pekela’s. Ze worden gepresideerd door Zijke Jellingsma of Bouke van der Koog, die allebei het Noorden kennen, als ik mijn portemonnaie. En Colter kan geen minuut in gesprek zijn, met iemand, of Bart Koch steekt zijn neus er tusschen. Hij denkt dat deze speciale instructies ontvangt van Hellinga.
— Die rooie gek, hoonde Kaufmann. Hij moest eens weten hoe Bouwer en Mooie Mea hem er tusschen nemen.
— Wat doen die dan? vroeg Wendelaer, kinderlijk.
— Och niets, ze spelen zoo’n beetje verlovingskomedie, anders niet. En wié neemt Noord Holland voor zijn deel? O, ja, ik weet het al, Branders natuurlijk. Nou dié laat ik uit mijn hand eten.
— Branders? O, die gewezen attaché van het I. V., niet? Nee, Bogaerts veronderstelt dat Bouwer dat zelf doet.
— De man van Elly, niet? Wat doet die vent, tegenwoordig?
— Bouwer heeft hem weggestuurd, toen hij hem snapte met het fotografeeren van kaarten. Hij is nu assistent van Sauerman.
— Van Sauerman?
Kaufmann floot opeens schel en keek Wendelaer spottend aan. Maar het trouwe apostelgezicht van dezen drukte niets dan verwondering uit.
— Vind je dat zoo vreemd? vroeg hij.
Kaufmann schudde het hoofd; hij dacht aan hetgeen Sera hem had verteld, aangaande haar man. Walging steeg op, in zijn maag en een koude rilling kroop langs zijn rug. Bogaerts dus ook al? vroeg hij zich af. En die was nog wel getrouwd met een mooie, jonge vrouw, net als Van der Voorde. Verwording en corruptie, beide uit elkaar voortvloeiend, corruptie en verwording, de resultaten van een dertigjarig partijleven. Hij voelde een oogenblik afschuw van alles.