mieren over het absentisme. Die dat woord heeft uitgevonden, moesten ze geregeld hangen en vierendeelen. Dag!
Hij knikte den chauffeur, die eerbiedig het portier voor hem open deed, kort toe. Van Averling en Breebaart had hij geleerd, tegen proletariërs in éigen dienstbetrekking niet tè vriendelijk te zijn, om hun geen aanleiding tot vrijmoedigheid te geven. Er moest altijd een grens zijn.
— Waarheen mijnheer? vroeg de man.
— Gebouw van de Partij. Vooruit maar!
Voor de ramen hingen groote biljetten. Met dikke blokletters kondigden ze vergaderingen aan, in verschillende wijken der stad. Kauf-mann zocht eerst naar zijn naam, als spreker en vergeleek toen of de namen van anderen met grooteren letter waren gedrukt. Alleen Averling en de Dikke kwamen beter uit. Hij stond voor drie vergaderingen als spreker vermeld en toch herinnerde hij zich niet, een uitnoodiging te hebben ontvangen. Dat bewees de groote haast, waarmee deze bijeenkomsten waren vastgesteld. Enfin, als het zijn beurt was, zou hem wel iets invallen, wat hij zeggen kon. Dat deed hij dikwijls en gewoonlijk viel het nogal mee, wat hij zei. Trouwens, zou hij alleen al over den persoon Bouwer wel vier en twintig uur aan één stuk kunnen doorpraten. Nu viel hem ineens in, dat hij niets van diens intiem leven wist en dat vond hij jammer. Dat gevalletje met Mooie Mea was niet gewichtig genoeg, om een vergadering een heelen avond bezig te houden.
Op het privé-kantoor van het Partij-secretariaat was alleen de partijsecretaris, Wendelaer, aanwezig. Hij plakte krantenknipsels in een boek en voorzag ze van aanteekeningen, knikte Kaufmann droefgeestig toe, met zijn mooien, ernstigen apostelkop.
— Is de vergadering al afgeloopen?
— Nee, een uur uitgesteld. Ik had een telefoontje van Breebaart, dat ie nog even op het Stadhuis moest blijven.
— Vervelend, bromde Kaufmann. Daar haast ik me nu voor. En de anderen schijnen er ook een lolletje van te maken. Nou, dan neem ik ook maar de beenen.
— Nee, doe dat nu niet. Averling en Boutelje en nog een stuk of drie waren straks al hier. Ze zijn, geloof ik, een kijkje nemen in de drukkerij of ze staan bij Sauerman te praten. Er kan niemand van ons gemist worden. Je weet immers wat er gaande is.
— Ik heb tenminste die biljetten zien hangen. Wat een drukte, ineens, om dat relletje van Bouwer.
— Zeg dat niet, het is veel ernstiger dan een relletje. Misschien heeft
209
14