Toen Aaron Bernard Kaufmann wakker werd, kroop een grijns van triomf om zijn dikke, genotzuchtige lippen. Hij strekte de hand naast zich uit.
— Gertrud! riep hij.
Hij was alleen.
Ze is weg, mompelde hij, teleurgesteld. Zoo’n kat.
Hij drukte op het belknopje, aan het hoofdeind van het mahoniehouten ledikant. Eerst na een herhaling daarvan ging de deur open en kwam een jonge vrouw kinnen. Een glimlach van begroeting gleed over haar aantrekkelijk gezicht, toen ze hem aankeek.
— Wel, wat verlangt U HoogedelMogende? vroeg ze, op plagenden toon.
— Schei nu maar weer uit met die kwatsch, mopperde hij. Hoe laat is dat meisje weggegaan?
— Even zeven uur was ze al op. Ze wou er van door, vóór jij wakker was.
Kaufmann zuchtte.
— Jammer. Nu is het al bijna negen, niet? Heeft ze niets gegeten?
— Nee, ze wou alleen maar een kop thee hebben. Ik geloof dat ze bang voor je was, dat arme ding. Ik moest een taxi voor haar opbellen en zoodra die er was, ging zij heen. Reken er maar niét op, dat ze ooit wéér op visite komt.
— Een taxi? herhaalde hij, met een grijns. Ze wordt deftig, hoor. Let op mijn woorden, Jo, dié brengt het ver.
Hoewel hij, als hij lachte, bijna afstootelijk was, glansde toch genegenheid in de oogen van zijn huishoudster, nu ze afkeurend het hoofd schudde, als een moeder die haar jongen om zijn guitenstreken beknorren moet.
— Wat bedoel je met vèr? vroeg ze. Nog verder dan hiér, bij een Kamer-Staten-Raadslid ?
— Als ze er voor zorgt den weg te leeren, wordt ze zelfs ministers-vrouw. Schuif de gordijnen eens open, Jo.
De jonge vrouw gehoorzaamde. Grauw licht, als bij winteravond-
203