benutte die organen niet aÜeen grootendeels om zich door zijn trawanten te laten verheerlijken en zichzelf tegen aanvallen te verweren, maar schreef er ook kolommen vol in, tegen eventueele opposanten, die hij echter slechts bij hooge uitzondering zelf aan het woord liet.
Barend Boutelje had het gedecideerd en tegelijk gemoedelijk voorkomen van een fabrieksdirecteur die, door zijn arbeiders onbeteekenende concessies toe te staan, hen des te sterker aan zich verknocht, om hen des te volkomener te beheerschen. Handig als een beursspeculant, niet van natuurlijk verstand ontbloot en altijd het oog gericht op de schommelingen der politieke en economische constellaties, was hij dozijnen malen van schakeering verwisseld, zonder dat zijn onderdanen begrepen dat hij dat uit zuivere baatzucht deed. Van fel-rood was hij al overgegaan naar de uiterst-rechtsche zijde der politieke partij en daarna weer van tint op tint veranderd, voorwaarts, of achteruit, al naar de omstandigheden hem voorschreven of noodzaakten. Bij élke verandering, echter, had hij gewonnen; soms in aanzien, bij de gegoede burgerij, dan weer in zijn aantal funkties en salarissen, in en dóór de Arbeidersbeweging en ook wel in waardevolle erkenning, door de groep die tijdelijk het land regeerde.
Door deze bewegelijkheid en plooibaarheid was het hem gelukt zich vrienden te maken in alle kringen. Ook had hij het bestaan, gunsten te verleenen aan voormalige vijanden en toekomstige machthebbers, had nü eens de arbeiders verworpen, terwille van een bedankje in een burgerlijk blad, dan weer met revolutie gedreigd, als het hem geschikt voorkwam, de burgerij een beetje bang te maken.
Hoewel Boutelje voorzitter was van den meest proletarischen bond én van de politieke partij der arbeiders, was hij tevens president van het Nationaal Instituut voor Beschaafd Volksvermaak, hetwelk gefinancierd werd door de groote winkeliers, die er een waarborg mee bedoelden, tegen het breken van hun spiegelruiten, bij volksfeesten. Ook was hij mede-oprichter der Liga tegen Handelsreclame op Mooie Plekjes in de Schoone Natuur en tegen het Rooien van Mooie Boomen aan den Openbaren Weg; deze organisaties bestonden voornamelijk uit zich-vervelende, gepensioneerde staats- en gemeente-ambtenaren. En, hoewel hij op de jaarlijksche congressen van de Partij uitgebreide, in rethorisch Nederlandsch opgestelde, verklaringen voorlas, en in stemming bracht, tégen het Italiaansche Fascisme, schreef hij kinderlijke en vaak dwaze artikelen over het rooien van mooie boomen, in elk fascistisch dag- en weekblad, dat daartoe zijn kolommen openstelde, en hem honoreerde.
Zich in stilte ergerend aan Goudekets familiariteit met Dolly Vis-schraper, neeg Boutelje nóg eens eerbiedig voor mevrouw Breebaart, dezen keer als verontschuldiging voor zijn vrijmoedigheid van aan Carla’s andere zijde op een puntje van den divan te gaan zitten.
178