ËÜy voelde een schok van verrassing. Na het bezoek van de Breebaarts, was dit de hoogste eer, in de Partij. Ze liep den leider der kamerfractie tot aan de deur tegemoet.
Dr. Henri Averling, die reeds in de pers genoemd werd als aanstaand minister-president, gold inderdaad, na den Dikke, als de machtigste man in de Partij. Zijn inkoopsom was weliswaar niet zoo groot geweest als van dezen, maar hij had als aanhang een groep mannen met gezonde, conservatieve overtuiging in de Partij gebracht, die als een stabiele tegenmacht werd beschouwd jegens de revolutionnaire elementen. Hij was nu bijna vijftig jaar, hoog van gestalte, had een streng, intelligent gezicht en een autocratisch voorkomen. Hoewel hij ruim tien jaar jonger was dan de Dikke, oefende hij, met zijn bijna hautainen blik en afstaande ooren, welhaast zooveel invloed uit, als deze, met zijn dikke, bolle buik.
In partijkringen werd druk geschertst om zijn overdreven hang naar en eerbied vóór etikette; tóch erkende een ieder dat het geen pose van hem was.
Ook nu trad hij correct binnen, als bezocht hij niet een eenvoudig ambtenaar van het Verbond, maar ging hij ter nieuwjaars-audiëntie, bij de Koningin. Hij boog zich langzaam over Elly’s hand heen en kuste die eerbiedig. Deze begroeting, tot wier gratie zich maar enkelen der hoo-gere burgers en niet één proletariër, in de Partij, konden verheffen, was een der aanbevelingen, waarop hij, na den plotselingen dood van den parlementairen leider, tot diens hooge funktie werd bevorderd. Als andere entecedenten golden zijn voornaam, representabel voorkomen en vooral, de waardeering waarmee de tegenstanders altijd over hem schreven. Voorts wist niemand, in de hoogere partij-instanties, bepaald iets kwaads of verkeerds van hem en dat werd als zoo buitengewoon beschouwd, dat het in geen bestuurder of kamerlid ooit opkwam te vragen of te zoeken naar zijn, positieve, superieure kwaliteiten.
Dr. Averling liet Elly’s hand met een beleefde zucht los en trad op mevrouw Breebaart toe, voor wie hij een diepe buiging maakte.
— En hoe maakt U het? De wethouder óók goed?
Hij noemde Breebaart nooit den Dikke, zelfs niet tegen anderen en, naar algemeen verondersteld werd, ook niet in gedachten. Nu hij zoo vriendelijk neeg voor Carla en haar een compliment maakte over haar mooie casaque, dacht de jonge vrouw dat het noemen van bijnamen ook volstrekt niet zou passen, bij zijn correcten persoon.
Ze wou wel graag een praatje met hem maken, maar kon zich niet herinneren of hij ooit getoond had in iets belang te stellen, buiten dan zijn eigen persoon en zijn kans op een portefeuille. Het had ongetwijfeld, hoe dan ook, zijn nut, vriendelijk tegen hem te zijn, al was het maar, om in de toekomst mevrouw Breebaart dien streek met het tele-fonistje betaald te zetten. Indien Averling immers minister-president
174