porceleinen koppen, had wethouder Breebaart haar, bij wijze van huwelijksgeschenk, benoemd tot chef van de, speciaal voor haar ingestelde, Afdeeling Kunst, aan het Stadhuis. De kunstenaars der Hoofdstad en spotters in de Partij, echter, beweerden dat die benoeming éérder moest worden gezien als een belooning voor Carla’s hartelijke vriendschap jegens mevrouw Breebaart, dan als erkenning van haar artistieke gaven. En de pessimisten in de liefde, onder haar kennissen, noemden haar aanstelling een troostprijs voor haar huwelijk met Kaufmann, het reeds oude enfant terrible der Partij, wiens uitspattingen in deze al dikwijls schandaal hadden verwekt.
Niettegenstaande deze hatelijkheden was Carla, op haar wijze, ernstig aan het werk gegaan, door van het haar toegestaan bedrag ruime subsidies te verleenen aan jongelui, die haar om haar porceleinschilderwerk wisten te vleien. En door deze gulheid met belastinggeld, méér dan door haar verbeeld talent, werd ze dra een persoon van gewicht, in de wereld der semi- en pseudo-kunstenaars, die door de buitenstaanden zoo gereedelijk voor werkelijke artisten worden aangezien.
Carla Van Maasdam tot Hoogheveen, die zich nooit mevrouw Kaufmann liet noemen, was van slanke, rijzige gestalte. Daarbij was ze zóó ongewoon breed van schouders en bezat ze een zóó karakteristiek gelijnd uiterlijk, dat er onder de werkelijke kunstenaars nog maar weinigen waren die geloofden, dat die hobby voor porceleinschilderen haar voornaamste passie was. Ze beweerden, dat ze daarvoor tè weinig weg had van een onvoldaan-smachtend meisje.
Elly Bogaerts en zij, vriendinnen en mededingsters naar de gunst van de wethoudersche, leken op elkaar en waren even groot. Echter was Elly’s gelaat, in tegenstelling tot dat van Carla, warm van tint en soepel van lijn. En ook deden Elly’s coquet schitterende blauwe oogen en het vleiend gebaar van haar fijne handen, haar dadelijk, ja, uitsluitend zien als liefde-vrouw, terwijl Carla’s grijze oogen, krachtige bouw en soms forsch-uitzettende stem, dikwijls den indruk wekten, dat ze een geraffineerd-verkleede man was.
Elly had een electrische stoof gereed gezet voor den fauteuil van mevrouw Breebaart. De oude dame verkoos echter op den divan te zitten en noodigde Carla, met een handwuiven, uit, naast haar plaats te nemen. Toen ging Elly, jaloersch op èlk gunstbewijs dat haar vriendin bewezen werd, ongevraagd aan de andere zijde der wethoudersvrouw zitten. En toen deze Carla’s hand in de hare nam, streek zij teeder langs de mouw der grijze tafzijde japon der oude dame. In de schouw gonsde een breede, bolvormige gashaard zijn ruischend lied. Terzijde blonk, op een oud-Hollandsche tafel, de koperen samovar, onder het toeziend oog van het
170