— Heeft hij je in ernst aangeraden, een betrekking bij het Dagblad te vragen?
— Ja, mijnheer Breebaart. Vóór het eind van deze week moet ik een beslissing nemen.
— En anders? vroeg de heer Marinus Breebaart, een beetje spottend.
— Van anders was er heelemaal geen sprake, antwoordde Bob Bogaerts, aarzelend. Ik krijg in èlk geval mijn ontslag, dat zie ik zóó wel in.
— Vreemd, dat hij je juist het Dagblad aanbeveelt, mompelde de wethouder. Hij staat toch eigenlijk niet zoo welwillend tegenover de krant. Nou ja, met Sauerman loopt het ook wel wat spaak, in den laat-sten tijd.
Ze zaten al een poosje te praten, op Bogaerts’ kamer. Hoewel zijn wethouderschap en andere funkties hem weinig tijd voor vriendschaps-bezoeken overlieten, waren de heer en mevrouw Breebaart toch op Elly’s eersten Dinsdagavond gekomen. Trouwens, was het denkbeeld dier „intellectueele” samenkomsten van de wethoudersvrouw uitgegaan. Zij en haar man waren tot de overtuiging gekomen, dat het, in het belang van de aanstaande Algemeene Verkiezingen, niet kwaad zou zijn, als gelijkgezinden in de Partij elkaar van tijd tot tijd ontmoetten, op officieus terrein. Samenkomsten in hun trotsch heerenhuis, op het Konin-ginneplein, zouden te spoedig officieel worden genoemd, in de pers. En in een stamcafé of in een club kwamen allicht ook partijgenooten die er niets mee te maken hadden, wat ze elkaar zeiden. Maar niemand kon, in de pers of in de Partij, het iemand als Bogaerts kwalijk nemen, dat hij den één wèl en den ander niét bij zich thuis noodigde.
Wethouder Breebaart had het goedmoedig-welgedaan voorkomen van een voormaligen grootestads herbergier, die, om zijn oude jaren rustig en toch zonder verveling door te brengen, een plattelandsuitspan-ning hield. Klein, onder de middelmaat, met een bolle buik, een dikken rooden nek, een opgeruimd pater-goedleven-gezicht, waarin een paar slimme oogen schitterden en een bijna onverslijtbaren, goedhartigen glimlach om den mond, had hij zijn bijnaam de „Dikke”, die op den